De telefoon ging: kom snel naar het ziekenhuis, het gaat niet goed met jullie zoontje…

| | ,

Het kon niet mooier. Onze zoon werd thuis geboren. Een wens van mij, maar wat ik daarna trouwens  nooit meer iemand zou aanraden. Ik kreeg een bloeding en dit stopte niet. Ik voelde mezelf wegglijden en er werd een ambulance gebeld. Gelukkig kon de bloeding gestopt worden en hoefde ik niet mee naar het ziekenhuis. We konden gaan genieten van onze tweede zoon. Ik had besloten om er een fantastische kraamweek van te maken. Wat een geluk! Twee jongens, mijn blijdschap kon niet meer stuk. We zaten echt op de blauwe wolk, maar vielen er heel snel, keihard er weer vanaf… 

Ik vertrouwde het niet. Onze babyboy was zo rustig, sliep alleen maar. Reageerde amper. De kraamverzorgster lachte mijn zorgen weg. ‘Dit hoort bij baby’s he’, herinnerde ze mij. Baby’s slapen. De hele dag. Ja right, dat zal best zo zijn, maar dit klopte niet. Deze baby was te rustig, echt té rustig. Dit hoorde niet bij ons. Dit kon niet een baby van ons zijn, zo rustig. Maar goed, de kraamverzorgster is de expert toch? Het drinken ging moeizaam. Ons ventje leek moeite te hebben om wakker te worden voor de fles. Bovendien leek hij wel niet genoeg kracht te hebben om de fles leeg te drinken. De volgende dag vertelde ik mijn zorgen aan de kraamverzorgster. Ach zei ze: ‘Ik prop dat flesje er zo wel in. Dan gaat het wel beter.’ Dat zinnetje: ik prop.. Ik krijg het maar niet uit mijn hoofd. Hoezo proppen met een baby? Werkt dit zo? Het is wel mijn kind he?! Ons lieve ventje begon geler te zien en werd suffer. Om 23 uur ’s avonds belde ik onze lieve huisarts (we woonden op een piepklein dorpje, waar de huisarts nog de bevallingen begeleidt). Ik had haar mobiele nummer gekregen en mocht bij zorgen 24 uur per dag dit nummer bellen. Ik belde dat ik me geen raad meer wist en ik het echt niet meer vertrouwde. Ze kwam meteen. Ze vertelde me dat ze het ook niet vertrouwde, maar dat er nu niet meteen spoed achter zat. Ze zou de volgende ochtend meteen weer komen. Dan zouden we sowieso op geelzucht prikken. En het hield woord. De volgende ochtend stond ze op de stoep. Ons lieve ventje was inderdaad té geel, maar ze vertrouwde het nog meer niet. Ze zei: ‘Jullie moeten naar het ziekenhuis en neem gelijk een tas mee, want ik denk dat je wel moet blijven.’

Zoveel vertrouwen dat de huisarts in mijn moedergevoel had, zoveel twijfels had de kraamverzorgster. We zeiden dat ze wel naar huis kon gaan, maar ze zei dat ze wel even bleef om wat schoon te maken, omdat we toch zo weer terug zouden zijn… 

In het ziekenhuis gekomen zagen ze niet meteen de zorgen die wij als ouders zagen, maar er schijnt een protocol te zijn (goddank!)  dat als ouders zich veel zorgen maken, de baby voor 24 uur ter observatie wordt opgenomen. Ik was er blij mee. Al met al was het al avond en omdat ik kraamvrouw was werd ik ook nog opgenomen. Daar lag ik dan beneden in het ziekenhuis op de kraamafdeling en mijn zoontje zeven hoog, aan de andere kant van het ziekenhuis. Naast mij lagen er moeders te genieten van hun pasgeboren baby en mijn zoon lag te vechten voor zijn leven…

De volgende dagen ging het slechter en werd er gekeken wat er zou kunnen zijn. Ze stuurden ons niet naar huis. Er was duidelijk iets… maar wat? Zou het aan zijn motoriek liggen dat hij zo slecht dronk. Het was geen gezicht, onze baby tussen de prematuurtjes. Hij was een voldragen baby van 42 weken, 6 pond en had een kop met zwart haar en een behoorlijk groot hoofd.  Bijna een kleuter tussen de baby’s. We waren denk al twee dagen in de weer in het ziekenhuis. Ik had besloten dat ik niet meer op de kraamafdeling wilde blijven. Ik mocht  niet zelf naar mijn ventje toe en moest continu een zuster meevragen. Dat durfde ik niet. Bovendien ergerde ik me groen en geel aan mijn bellende buurvrouw die met roze slingers verkleed was. Wat nou slingers, er viel niks te vieren voor ons. Mijn ventje was ziek, erg ziek en we wisten niet wat hij had.

Overdag was ik in het ziekenhuis, om 5 uur ging ik bij mijn ouders eten, waar mijn oudste zoontje logeerde. ’s Avonds ging ik met mijn man terug naar het ziekenhuis en daarna terug naar ons huis om te slapen. Zo waren we op de derde avond ook in het ziekenhuis. We zagen dat de temperatuur van onze baby omhoog schoot (hij had last van warmte koorts, maar ook van koude koorts). Hij was die avond ook echt suf. Ik haalde er een zuster bij en ze zei ons dat ze dacht dat we gelijk hadden. Iets was er echt niet goed. Ze besloot om groot onderzoek te laten uitvoeren en een arts te laten komen. Ze nam alvast wat bloed af. Dat bloed prikken lukte niet en ik liep naar de gang. Ik kon het niet meer aanzien. Ik weet nog dat ik het ergste vond dat ze voor de zoveelste keer probeerde te prikken en hij gewoon niet reageerde. Dat klopte niet, baby’s horen te huilen…Inmiddels was het al 23 uur en zei de verpleegster dat we maar naar huis moesten gaan. De arts zou het bloed na laten kijken en morgen zouden we meer horen. Vol verdriet gingen we naar huis.

We waren nog maar net thuis. We gingen meteen naar ons bed. Alles leek in slowmotion te gaan. Zonder gevoel. Het voelde zo leeg. Een leeg wiegje. Slingers die ophingen, maar het feest was weg. Daar lagen we dan, samen in bed. In een leeg huis. Het voelde zo leeg.
Ineens werden we opgeschrikt door de telefoon. Mijn man zei: ‘Dat is het ziekenhuis’. Zonder af te wachten wat ze te vertellen hadden, schoot ik mijn bed uit en trok meteen mijn kleren aan. Ik wist het meteen: dit is mis. En inderdaad… mijn man kreeg de boodschap of we zo snel wilde komen omdat het niet goed ging….  De volgende minuten kreeg ik niet meer uit mijn hoofd. In de auto belde ik huilend mijn moeder op: het gaat niet goed, het gaat niet goed. We raceten naar het ziekenhuis. Toen we de kamer binnenkwamen zagen we dat ons ventje naar de IC voor baby’s was gebracht. We zagen dat het vol stond met witte jassen en mochten  niet bij ons mannetje. Op een afstand keken we mee. De verpleging was druk bezig en ons mannetje lag er als een zoutzak bij, geen reactie. Dit klopte toch niet! Ik kon alleen nog maar bidden en machteloos toekijken… Ik hoorde de dokter (een piepjong ding) praten over hersenvliesontsteking en ruggenprik. Na een half uurtje mocht ik hem overnemen en heb ik mijn lieve ventje oneindig geknuffeld. Een verpleegster kwam ons bijpraten. Ik weet niet meer precies wat, maar ze vertelde dat ze meteen gingen starten met antibiotica via infuus. Ze vertelde dat ze precies op tijd actie ondernomen hadden en het niet veel later had moeten zijn. Wat er precies was, wisten ze nog niet, maar dat ons ventje het zwaar had, was heel duidelijk. Hij was inmiddels aan allerlei apparatuur aangesloten en dat stelde me gerust. We moesten maar naar huis gaan, zijn toestand was nu stabiel en we konden nu niets voor hem betekenen. Verslagen verlieten we middernacht het ziekenhuis, hoe kon ik ooit slapen…  Gelukkig toch kunnen slapen, maar  het waren maar korte uurtjes. Zonder wekker werd ik al vroeg wakker. Ik wilde zo snel mogelijk weer naar het ziekenhuis. Ons mannetje, zoveel zorgen, wat zou er zijn… Gelukkig bleek het wat beter te gaan en leek hij te reageren op de antibiotica. De doktoren wisten wat er aan de hand was: een urineweginfectie met als gevolg dat de bacterie in de bloedbanen terecht was gekomen: een ernstige bloedvergiftiging.  

Gelukkig sloeg de kuur goed aan en na 10 dagen mochten we naar huis, precies voor de Kerst. Met Kerst thuis, wat een geluk. Ons ventje heeft zijn eerste 14 dagen al heel wat meegemaakt en heeft moeten vechten voor zijn leven. We zien het nog steeds terug in zijn karakter: het is een enorme doorzetter. Elk jaar rond zijn verjaardag komt deze gebeurtenis weer in mijn gedachten. Ik beleef het opnieuw, alsof het gisteren is gebeurd. Een herinnering die ik nooit meer vergeet. 

JANE DOE

Plaats een reactie