Mijn pleegkind heeft een zeer traumatisch verleden en is beschadigd, past hij wel in deze maatschappij?

| | , ,

“Mama!”. Ik doe net alsof ik niets hoor en houd m’n ogen dicht. “Mama, ben je wakker?” Hmmm… Dit hou ik niet lang vol. “Mama, ik denk dat ik in de verkeerde wereld geboren ben!” Slik… Ik doe mijn ogen open en kijk in de vochtige ogen van onze grote pleegzoon. Hij is elf jaar en qua lichaamsformaat en voorkomen al een flinke puber. Mensen schatten hem altijd ouder, soms zelfs drie of vier jaar ouder en dat is als je 11 bent heel veel. Mijn mooie, stoere, enthousiaste, lieve, altijd zijn best doende pleegzoon denkt dat hij in de verkeerde wereld geboren is. Op de wekker zie ik dat het nog geen zes uur in de ochtend is, oef. Met mijn armen wijd nodig ik hem uit om naast me te komen liggen. Hij kruipt tegen mij aan zoals een peutertje dat zou doen. Zo liggen we even in stilte tegen elkaar aan. Ik voel zijn groter wordende lichaam, want dat is wat het is. Zijn lichaam wordt groter, begint haartjes te vertonen op plekken waar die eerder niet zaten en komt langzaamaan in de pubertijd. Maar in zijn koppie is hij daar nog láng niet! Misschien iets wat veel moeders zeggen, maar in ons geval is het extreem waar.

Toen hij nét zes jaar was, kwam hij bij ons wonen, compleet over zijn toeren en wij eigenlijk ook. Zes jaar en op dat moment hadden we er geen idee van wat hij in zijn jonge leventje allemaal al mee had moeten maken. We waren weliswaar kort geïnformeerd door de voogd van de jeugdbescherming, maar ook zij hadden destijds nog maar een topje van de ijsberg gezien. Toen zijn voogd na een aantal jaren afscheid van ons nam omdat ze het harde werken bij jeugdzorg niet meer aankon, vertelde ze ons dat dit gezin het heftigste gezin was dat zij in dertig jaar pleegzorg had meegemaakt. “Deze kinderen zijn zó beschadigd, dat heb ik zelfs nog nooit meegemaakt”, waren haar precieze woorden en terwijl ik met onze puber wordende pleegzoon in bed lig, denk ik daaraan terug.

“Niet in de goede wereld geboren zijn”, wat zou hij precies bedoelen? Hoe ga ik hier mee om? Eén op één praten is niet de beste strategie voor hem, dus ik spoor hem aan om uit bed te komen. Samen staan we zachtjes op zodat de rest van het gezin nog even kan blijven slapen. Als we gewassen en aangekleed beneden in de keuken staan, koffie zetten en het ontbijt voorbereiden, vraag ik hem: “Wat bedoelde je net lieverd, dat je denkt in de verkeerde wereld geboren te zijn?”. Tranen. Een stortvloed aan tranen is wat volgt op deze zo zorgvuldig geformuleerde vraag. In mijn armen huilt hij hard en ongeremd, hortend en stotend komt het verhaal eruit. Hoe hij nooit ergens past en écht is zoals de anderen. Hoe niemand hem begrijpt behalve ik en oma en hoe hij altijd in de war is. “Ik ben altijd bang voor wat er gaat gebeuren!”, “Ik mag niet naar school, ik mag niet op voetbal met Kees en Pieter én ik kan niet alleen naar huis fietsen!”. Achter elkaar somt hij een lijst op aan dingen die hem ervan overtuigen dat hij niet thuishoort in deze maatschappij…

Door zijn verleden, de beschadigingen die hij vroeger heeft opgelopen, is hij enorm achter in zijn sociaal emotionele ontwikkeling. Dus aan de ene kant is er deze grote jongen die soms 15 geschat wordt, maar van binnen is hij qua ontwikkeling op een niveau dat je verwacht bij kinderen van 18 maanden tot drie jaar. Een peutertje gevangen in een puber lichaam… Het is logisch dat hij geen aansluiting vindt, het is niet gek dat sommige dingen hem niet lukken of dat hij zich nergens écht bij voelt horen. Daarnaast zorgt zijn hechtingsstoornis ervoor dat hij altijd allert is, op zijn hoede en dat helpt zijn gevoel van erbij horen ook niet mee.

Het verdriet in mijn armen steekt in mijn hart. Ik wil hem zó graag vertellen dat alles goedkomt en dat hij heus past bij de jongens in de straat. Ik wil hem zó graag vertellen dat hij heus wel weer naar school kan, dat hij heus een leuke vrouw vindt en later zelf een gelukkig gezinnetje kan hebben, maar ik wil niet liegen… Ik weet écht niet wat ik moet zeggen en dus zeg ik dat. “Ik weet niet wat ik tegen je moet zeggen lieverd”. Zijn reactie raakt mij diep in mijn hart: “Je moet niet praten. Jij bent mama. Jij moet mij knuffelen”. En zo is het: ik kan niet alles oplossen, ik kan geen wereld maken waar hij beter in past en ik kan hem niet beschermen voor de keiharde werkelijkheid. Maar wat ik wel kan is waar ik dit allemaal voor ben gaan doen. De reden dat we gestart zijn als pleegouders: mama zijn voor een kind dat een mama nodig heeft. En deze grote puberjongen heeft nu even heel hard een mama nodig! Een fijne geruststellende gedachte, ik hóef het niet op te lossen. Toch blijft het me bezig houden, we zullen hem moeten helpen. Misschien is het tijd om aan verwachtingsmanagement te gaan doen? Is het nu de tijd om met hem te gaan zoeken naar wat in zijn toekomst wél mogelijk gaat zijn? Is het tijd om zijn droom om politieagent te worden om te buigen naar gelukkig worden en misschien zelfstandig begeleid wonen? Hij is nog zó jong in zijn doen en laten, ik gun het hem om oneindige dromen te dromen… Wat zou jij doen?

PLEEGMOEDER

Plaats een reactie