Ik ben een ex-prematuur, ik werd geboren in de jaren ’90 met 26 weken

| | ,

Soms is de start van een levensverhaal zo bijzonder, dat het haast niet anders kan dan dat het opgeschreven wordt. Tot nu toe voelde ik niet de behoefte, nu wel. De tijd is er blijkbaar rijp voor. Aan de ene kant schrijf ik om (h)erkenning te geven aan anderen die – zelf of in de directe omgeving – een soortgelijke start hebben meegemaakt. Aan de andere kant schrijf ik, omdat ik geloof dat thematiek rondom prenatale en geboortestukken (trauma’s) nog te weinig aandacht krijgt binnen de reguliere zorg. Dat terwijl er wel degelijk wetenschappelijke onderzoeken gedaan zijn en er bewijs gevonden is dat de impact groot kan zijn. 

Waar zal ik beginnen? Laat ik beginnen bij week 25 van de zwangerschap van mijn moeder. Begin juli 1992. Ze krijgt weeën, die met weeënremmers moeten worden tegengehouden. Immers, met 25 weken ter wereld komen zou, begin jaren 90, betekenen dat er geen medische behandeling zou worden gestart.
Mijn moeder krijgt daarnaast ook medicatie ingespoten om de longblaasjes van mijn broertje en mij te laten rijpen. Met precies 26 weken (op de dag nauwkeurig!) komen mijn broertje en ik ter wereld. Ik tien minuten eerder dan hij. Ik 950 gram (37 centimeter) en mijn broertje 985 gram (38 centimeter). Direct worden wij weggehaald bij mijn moeder, dus zonder huidcontact, en worden we aangesloten op alle toeters en bellen (op de NICU – Neonatale Intensive Care Unit –  van het Wilhelmina Kinderziekenhuis). We liggen (elk apart) maanden in de couveuse en zijn volledig overgeleverd aan medische apparatuur en aan de vakkundigheid van verpleegkundigen en artsen. De strijd om te overleven is in volle gang. Kennelijk heb ik veel pit in me, zo staat er in mijn dagboek geschreven. Elke dag schrijven mijn verpleegkundigen een woordje voor mij. Wat lief en betrokken hoe de artsen en verpleegkundigen voor ons zijn geweest destijds. Hoewel de kans klein is dat het de mensen bereikt die er destijds gewerkt hebben, tóch wil ik ze 28 jaar later bedanken. 

Mijn broertje krijgt er op dat moment extra complicaties bij. Hij moet aan een geperforeerde darm geopereerd worden. Na de operatie krijgt hij ook nog een klaplong en een hersenbloeding. Hij blijft dan ook twee weken langer in Utrecht, daar waar ik ‘al’ overgebracht word naar een couveuse in een ander ziekenhuis. We zijn dus als tweeling zowel gescheiden geweest van onze ouders als gescheiden van elkaar. Na 12 weken couveuse mogen we, inmiddels is het dan begin oktober 1992, naar huis. 

Hoe gaat het dan verder? Onze motoriek komt laat op gang. We lopen pas met twee jaar. Op de leeftijd van vier jaar lopen we qua cognitieve en motorische ontwikkeling weer ‘gelijk’ met de meeste leeftijdsgenoten. Het is bijzonder te noemen dat mijn broertje en ik ons zo hebben ontwikkeld die eerste kinderjaren. Feitelijk was de kans dat we überhaupt in leven zouden blijven 50 %. En dat we daar dan mogelijk handicaps aan over zouden houden, was een kans van 40 %. Dit is niet uitgekomen. Wij hebben het VWO-diploma behaald, hebben motorisch geen problemen ondervonden en zijn sportief en ondernemend. Als vanzelfsprekend hebben wij wél andere karakters, andere voorkeuren en eigen manieren om met (fijne en minder fijne) dingen die op ons levenspad komen, om te gaan.

Ik verdiep me steeds meer in vroeggeboorte, de tijd erna en wat de mogelijke consequenties hiervan (kunnen) zijn. Niet alleen op cognitief en fysiek vlak, maar ook op sociaal-emotioneel en psychisch vlak. Wat dat laatste betreft heb ik zelf de nodige ‘hobbels’ moeten nemen. Ik lees dat ook bepaalde sociaal-emotionele kenmerken in een latere levensfase mogelijk te herleiden zijn tot vroeggeboorte en de tijd in de couveuse. Zo kan een gebrek aan oogcontact (dat in de couveuse niet mogelijk is), een patroon veroorzaken van het gevoel te hebben ‘niet gezien te worden’ (in de betekenis van niet erkend en begrepen worden) en een grote behoefte te hebben aan ‘een juiste spiegeling’.  Dit patroon blijft zich vervolgens op verschillende manieren herhalen in het leven. Dit is een klein voorbeeld dat ik ook bij mezelf herken. 

Ik geloof inmiddels ook dat al deze ervaringen in mijn lijf opgeslagen zijn. Ik krijg nu bijvoorbeeld kippenvel op moment dat ik iets lees dat raakt aan die periode; ik ben sensitief ingesteld en voor mij is dit een manier waarop mijn lichaam me laat weten dat het ‘klopt’. 

Het lijkt me zo belangrijk dat er meer focus komt te liggen op dit (begin)deel van iemands levensverhaal. Niet omdat de rest er niet toe doet, want latere ervaringen in het leven doen er zéker ook toe en moeten ook aan bod komen (ik spreek uit ervaring). Maar wél omdat het lijf dingen niet zomaar kan vergeten, zo ook niet uit de tijd als baby, toen er nog geen woorden beschikbaar waren. Het lijf liegt niet en de ‘basisinstellingen’ wat betreft de biologie van de mens kunnen al verstoord zijn geraakt in het prille begin (in de buik, bij/rondom de geboorte), zo blijkt uit literatuur (Janov, 2013). Bewustwording is zo belangrijk, omdat het nieuw licht laat schijnen op het mens zijn. Het zet problemen van nu en hindernissen van eerdere tijden in een ander daglicht. 

Voorwaarde is natuurlijk dat je open staat voor deze manier van kijken. Het kan je aanspreken of niet. Het gaat er mij niet om wat je wel of niet gelooft, als je maar wel de mogelijkheid hebt óm te kiezen. Daarvoor is het dus nodig te weten dat dit soort onderzoeken bestaan, dat er dus meerdere theorieën en verklaringen zijn. 

Hoe mooi zou het zijn als de wortels van iemands worstelingen óók worden gezocht bij de het begin van ons bestaan? Hoe mooi zou het zijn als dit soort visies meer en meer geïntegreerd worden binnen de reguliere zorg? Hoe waardevol zou het zijn als mensen de tijd nemen om bij dit soort aannames stil te staan in plaats van ze direct af te doen als ‘zweverig’ of ‘gebrek aan objectiviteit’? Het mooiste zou een combinatie zijn qua visies, wat mij betreft. Zodat er, ook als het gaat om sociaal-emotionele kenmerken, gekeken wordt naar vroeggeboorte en andere geboortetrauma’s als zaken die daarna in iemands leven gebeuren. Wat nu regulier gangbaar is, is stilstaan bij dat wat mensen in hun herinnering terug kunnen halen vanaf de tijd dat er woorden zijn (Janov, 2013).

Laten we van elkaar leren en blijven leren, samen. Grote lessen liggen vaak verborgen in ‘iets kleins’. Ook letterlijk in dit geval: de meest kleine wezentjes doen er ook zo enorm toe. Ze verdienen een stem; vanaf het moment dat ze er zijn en in elke fase van opgroeien die daarna (hopelijk) volgt! 

SYLRIEKE

Plaats een reactie