De arts komt binnen, gaat op mijn bed zitten en dan weet ik eigenlijk al genoeg

| | ,

Voordat je verder leest, is het fijn om het begin te lezen.

Deel 1: We krijgen bizar nieuws bij de echo

De eerste weken zwangerschap zijn pittig. Ik spuug veel, weinig blijft erin, maar ons geluk is groot. We worden ouders en niet zomaar: we worden tweelingouders. Het gevoel wint het, met wat hulp van medicijnen, van mijn misselijkheid. Mijn man, Wouter, en ik zijn niet van het rustig aan doen. We leven in het hier en nu. Genieten van het moment. De babykamer staat vrij rap. Er staat twee van alles. Het is heerlijk om daar te zijn. Er te zitten. Stil te zijn en te voelen hoe het gaat in mijn buik.

Een spannende 20-wekenecho

De twintigweken echo is spannend. “Zal alles goed zijn? En zijn ze allebei te vinden of liggen ze elkaar in de weg? En als kers op de taart: krijgen we zonen of dochters?”, denk ik. Alles ziet er goed uit. Het duurt even. Maar met wat gespring, geduw en getrek, lukt het de echoscopiste om beide baby’s goed te zien. Ons derde kindje is er op dat moment al niet meer. Verdwenen, en hoe luguber het ook klinkt, opgenomen. Opgenomen in de placenta van haar zusje. Zusje, eeneiige meiden, wat een gek idee. Het mocht voor haar niet zo zijn. Achter ons dochtertje ligt onze zoon. Wauw! We mogen ook nog een zoon krijgen. En voor een tweelingzwangerschap heb ik het beste scenario in mijn buik: twee placenta’s. Alles is helemaal goedgekeurd. We genieten. Dit is onze grootste hartenwens. We mogen papa en mama worden.

Dan voel ik me ineens niet meer goed

De blijdschap duurt ongeveer 6 weken. Ik ben 26 weken zwanger en ik voel me niet lekker. Ja, mijn buik is gigantisch, logisch. Stoppen met werken is een must. Ik houd het simpelweg niet meer vol. De arbo-arts vraagt hoever ik mezelf wil pushen en ik geef toe. Het gaat niet meer. Eenmaal thuis beginnen de zorgen. Hoofdpijn, heel veel vocht en ik weet het niet, maar ik voel me niet goed. Er volgen een paar ziekenhuisbezoekjes. Telkens ben ik ongerust. “Er zal toch niks mis zijn?”, spreek ik uit naar mijn vriend. Wouter stelt me steeds gerust. “Het komt goed”. En na elk bezoekje mag ik inderdaad weer rustig naar huis.

D arts komt binnen en het blijkt helemaal is

Ik tik de 28 weken aan. Weer voel ik me niet goed. Toch maar weer bellen. Of we even langs willen komen? Ja hoor. Voor het eerst voel ik mij kalm. Nu is het juist Wouter die met grote snelheid naar het ziekenhuis rijdt. We grappen wat. Elke keer ben ik zo vreselijk nerveus en nu niet. Zul je nèt zien, dat het nu echt mis is… In het ziekenhuis doen de artsen wat onderzoekjes. CTG, drie banden met knoppen, een uur liggen, we zijn het inmiddels gewend. De arts komt binnen, gaat op mijn bed zitten en dan weet ik eigenlijk al genoeg. Als een arts de tijd voor je neemt, dan is het mis. Er zitten eiwitten in mijn urine. Zwangerschapsvergiftiging. Het zegt me op dat moment nog niet zoveel. Ik moet blijven. “Oke, maar hoe lang?”, vraag ik. “Tot het einde van de zwangerschap”, is het antwoord. ” Maar ik ben pas 28 weken? Hoe dan? En mijn man dan? En waarom praten ze over een eventuele vroeggeboorte?”, denk ik wanhopig. Honderd vragen, honderd zorgen. We besluiten ze pas later tee stellen en nemen het zoals het komt. Dag voor dag, stapje voor stapje.

In de weken daarna passen we ons aan aan het ziekenhuisleven. Wouter gaat werken, pikt mijn was thuis op, laat de honden uit, komt op visite in het ziekenhuis en gaat slapen. Mijn dagen bestaan meer en meer uit liggen en wachten op Wouter in de avond. Mijn lieve moeder, die van ver moet komen, is er vaak met heerlijke koffie en taart. We maken er telkens een feestje van. De weken gaan voorbij. We kijken uit naar de 30 weken. Dan maken de baby’s een goede kans.

We halen week na week

Ik mag nu in mijn eigen ziekenhuis bevallen. Ik krijg longrijpers prikken, een rondleiding op de neonatologie en een kijkje op de crisiskamer. Dan zijn we vast wat voorbereid, mocht het onverhoopt zover komen. Met 34 weken is onze eigen grootste mijlpaal bereikt. Mijn vader is volgende week jarig. Het is mei. Prachtig weer, heet zelfs. “Zou ik niet misschien een dag verlof kunnen krijgen? Hij wordt 65. We zouden even kunnen ontspannen en genieten in de zon”, twijfel ik. Een dag later geven artsen dat dat misschien kan. De dag daarna zegt de arts: “Misschien kan je gaan, maar dan wel met de infusen in”. De dag daarna twijfel ik zelf. “Misschien is het niet zo verstandig”, denk ik angstig. Het wordt woensdag een definitieve nee. Ik moet het niet doen. Ik voel me niet goed.

Het is vrijdagochtend 26 mei 2017. Ik word wakker. De verpleging komt binnen. Inmiddels ben ik onderdeel van het meubilair op de afdeling. “Goedemorgen, lekker geslapen? Wat wil je eten? Hetzelfde als altijd? Waar is de urine van vannacht? Neem ik meteen even je in- en uitgave op”, raast ze. En dan is er ineens enige verwarring. Of de nachtdienst misschien al wat van mijn urine heeft meegenomen en afgemeten? Nee. Niet dat ik weet. Ik heb wel veel gedronken, vanwege erge dorst. De verpleger mist 5 liter vocht. Niemand weet iets. Ik voel me intussen slecht, zwak. Wouter wordt opgebeld. “Laten we voor de zekerheid toch maar even samen op de artsenvisite wachten. Mijn eigen gynaecoloog heeft dienst”, zeg ik hem. De gynaecoloog stapt enkele momenten later mijn kamer in, knijpt in mijn hand en gezicht en heeft maar een boodschap: “Heel gauw naar een verloskamer. Het missende vocht is niet weggegooid of verdwenen; het zit in mijn lijf. De zwangerschapsvergiftiging heeft plaats gemaakt voor HELLP”. Mijn lijf stopt ermee. Onze kindjes moeten er nú uit om mij te redden.

ESTHER

Plaats een reactie