Bevallingsverhaal: Ik fietste met flinke weeen zelf naar het ziekenhuis

| | ,

De vraag hoe ik naar het ziekenhuis zou moeten komen als de bevalling eenmaal zou beginnen heeft me tijdens alle drie mijn zwangerschappen wel bezig gehouden. Ik moest alle drie de keren in het ziekenhuis bevallen, thuis mocht niet. Maar mijn man had overdag de auto mee naar zijn werk en moest 40 minuten rijden om thuis te komen. Het gevolg: twee van de drie bevallingen ben ik zelf met weeën op de fiets naar het ziekenhuis gegaan. In deze blog vertel ik over mijn eerste bevalling.

Ineens verloor ik vocht van onderen

Met een raar gevoel down there werd ik wakker. Het was middag en ik lag even in bed. Toen ik vocht voelde lopen, sprong ik uit bed met de angst dat mijn hele bed nat zou worden. Geschrokken pakte ik een bekertje en liep naar de wc in de hoop om wat vocht op te vangen. Tevergeefs. Ik deed een maandverbandje en liep rondjes door de kamer, mezelf afvragend wat ik zou gaan doen. De gedachte dat dit eventueel het begin van de bevalling zou zijn, drukte ik weg. Ik was er nog niet klaar voor, ik was pas 35 weken zwanger, mijn vluchtkoffer stond er nog niet, de babykamer was nog niet af en het allerergste: ik had nog geen babykleertjes klaar liggen! Een paar weken geleden waren we verhuisd. Ik was nog maar een paar dagen met verlof. Door de drukte van de verhuizing en het afronden van mijn werk, was ik er nog aan toe gekomen om alles klaar te maken voor de baby. Tijdens mijn verlof wilde ik aan de slag gaan met het klaarmaken van de babykamer, kleertjes uitzoeken en wassen en items naaien en haken. Dat hoort allemaal tijdens het zwangerschapsverlof.

Ik twijfelde of ik weeën had

Ik besloot het ziekenhuis te bellen. De vrouw aan de telefoon stelde vragen waar ik het antwoord ook niet op wist. “Heb je weeën?” “Geen idee.”, antwoordde ik. “Is de baby ingedaald?” “Euh…”, klonk het. “Voel je druk van onderen?” “Nou…”, twijfelde ik. Ik mocht wel even langskomen. Dat leek mij ook een prima idee. Ik belde mijn man om te vertellen wat er was gebeurd. Ik hield me stoer. “Het zal allemaal wel meevallen”, zei ik. Ik maakte nog een grapje dat ik wel warme sokken in mijn tas deed, voor het geval het wel de bevalling was, want dat hadden we op de bevallingscursus geleerd. Vertwijfeld hing ik op. “Dit was toch niet de bevalling, toch?”, vroeg ik me af. Ik beloofde hem op de hoogte te houden.

Babykleertjes in de wasmachine

Ik belde mijn zusje die dichtbij woonde, misschien wilde zij mee. Gewoon voor de gezelligheid. En ergens was ik bang dat halverwege de weg naar het ziekenhuis mijn vliezen echt helemaal zouden breken en dat er midden op straat een waterballet zou ontstaan. Ik vond het toch een fijn idee als ik niet alleen zou zijn. Hoe ik naar het ziekenhuis zou gaan, dat was voor mij niet eens een vraag. Ik fietste altijd overal naar toe. Er kwam totaal geen gedachte in mij op dat ik misschien een taxi moest bellen of iets anders moest regelen. “Ik moet nog even wat afmaken en dan kom ik naar je toe”, zei mijn zusje. “Prima,” antwoordde ik. Ik was inmiddels al wel wat gekalmeerd en kon wel lachen om de situatie. Tijdens het wachten werd het gerommel in mijn buik in een snel tempo heftiger. Ik kreeg flinke pijnen. Voor de grap ging ik op de bal zitten die ik voor de bevalling had klaargelegd. Maar het hielp niet. Heel langzaam kwam het besef binnen: “Dit zouden misschien wel weeën kunnen zijn. Zou de baby echt nu komen?” Snel pakte ik ergens een plastic tas vandaan waarin babykleertjes zaten die ik een paar weken geleden van mijn schoonzus had gekregen. Ik deed de kleertje snel in de wasmachine. Een kort programma. Misschien zou ik die toch nodig hebben…

Met weeën op de fiets

Mijn zusje liet langer op zich wachten en de pijn werd snel erger. Flink erger. Ik belde haar op dat ik toch echt wel erg graag naar het ziekenhuis wilde. Ze antwoordde dat ze er bijna was. Ik kon mijn fiets wel vast pakken dan konden we meteen door. Ik liep naar beneden en pakte mijn fiets uit de kleine schuur. Licht gefrustreerd, omdat ik de situatie inmiddels minder grappig begon te vinden, rukte ik hard aan mijn fiets. Na drie pogingen lukte het. Op de fiets voelde ik de pijn duidelijk, maar het trappen voelde fijn. Ook het geklets van mijn zusje hielp. Ik zat nog in een soort waas van ontkenning. “Dit is niet de bevalling. Let maar op.”

De bevalling was ècht begonnen

In het ziekenhuis moesten we in de wachtkamer wachten. Mijn zusje kletste lekker door en ineens werd dat te veel. “Even stil zijn,” zei ik tegen haar. De pijngolven kwamen echt sterk. Toen ik concludeerde dat ik een kwartier in de wachtkamer had gezeten en ik drie keer een pijngolf had gehad, besefte ik ineens: Dit is het echt, ik ben aan het bevallen! In de spreekkamer hoorde ik een verhaal aan over 35 weken, geboren vliezen, elke dag melden en afwachten. Ik kon zelf niks meer zeggen. Tijdens het maken van een echo voelde ik me niet lekker, en toen ze op mijn buik duwde om de baby te voelen, brak alles ineens los. De pijn was niet te dragen. Ik gaf over en beneden kwam er een flinke golf vruchtwater uit. “Er is geen houden meer aan. Jouw kindje komt vandaag”, waren de woorden van de gynaecoloog.

Wat moet de baby aan?

Er liepen rillingen over mijn rug. Ik kon alleen maar denken: “Het is definitief. Het kind komt nu en is prematuur”. Er kwam een rolstoel binnen en ik werd naar de kraamafdeling gebracht. Mijn zusje liep bezorgt achter me aan en ging zitten naast mijn bed. Sinds ze op de poli op mijn buik hebben geduwd, zat ik in een weeënstorm. Ik wist niet waar ik het zoeken moest. Mijn zusje had inmiddels mijn man gebeld om te vertellen dat het menens was en dat hij snel moest komen. Toen mijn man er was, ging mijn zusje nog naar mijn huis. Ik had haar namelijk in paniek gezegd dat er kleertjes in de wasmachine zaten, die moesten nog drogen voordat de baby geboren zou worden. “Het is nooit op tijd droog. Wat moet de baby nou dragen als hij geboren is?”, dacht ik. Na een tijdje kwam mijn zusje terug met een tas vol natte kleertjes die ze overal in de kraamkamer op hing. Het was vast een vreemd gezicht. Ook had ze nog wat kleding voor mij meegenomen. Ik had niets in de gaten. Ik zat in mijn weeënstorm en kreunde alleen maar: “Ik weet niet waar ik het zoeken moet!”

Mijn zoontje ging de couveuse in


De bevalling was heftig. Het ging snel en ik kreeg weinig tot geen rust tussen de weeën door. Ik kreeg een knip na een half uurtje persen, omdat een premature baby niet te lang in het geboortekanaal mag zitten. Mijn zoontje mocht even op mijn buik liggen. Ik hoorde de verloskundige naar iemand bellen dat de baby is geboren en vrij snel reed er iemand een couveuse naar binnen. Ze pakte mijn blote zoontje op en duwde hem tegen mijn gezicht: “Geef hem maar een kusje. Dag mama.” Toen deden ze hem in de couveuse en weg was hij. Ik voelde me raar. Alles ging snel, sneller dan dat ik kon bijbenen. Het was nog maar eventjes geleden dat ik mijn middagdutje lag te doen. Nu lag ik met een lege buik in een verloskamer en wist gewoon niet wat me was overkomen.

Terug naar huis ging ik met de auto, in plaats van de fiets

Na drie dagen moest ik naar huis. Mijn zoontje heeft nog ruim een maand in het ziekenhuis gelegen. Ik ging deze keer wel met de auto naar huis. Hoe de fiets is thuisgekomen, dat weet ik eigenlijk niet meer. Ondanks dat de verloskundige, de verpleegkundige en de gynaecoloog raar keken toen ik vertelde dat ik met de fiets was genomen, is het mijzelf niet slecht bevallen. Bij de tweede bevalling ben ik wederom met weeën op de fiets naar het ziekenhuis gegaan.

GEKE DOUW

Plaats een reactie