Deze rechtszaak zou hoe dan ook mijn leven veranderen

| | ,

Geen goed nieuws

In april 2020 kreeg ik een belangrijk telefoontje. Het was mijn zusje. Ze bleek zwanger. Voor vele mensen is dit geweldig nieuws, maar hier niet. Ik heb weinig contact met mijn zusje. Ze heeft een drank- en drugsprobleem. Haar oudste dochter (nu 16 jaar) is vroeger uit huis geplaatst en woont nu bij haar vader. Ik heb zo weinig contact met mijn zus, dat ik niet eens wist dat ze überhaupt een nieuwe vriend had. Ik wist niet wat ik moest voelen.

“Ze gaan de baby van mij afpakken”

De maanden verstreken. Ik hoorde via via dat mijn zusje een aantal keren in het ziekenhuis heeft gelegen. Begin september kreeg ik weer een telefoontje. Mijn zus vertelde: “Ze gaan mij 10 september inleiden”. Nu werd het toch wel spannend. Ik werd immers voor de tweede keer tante. Op 9 september rinkelde mijn telefoon. Ik zat op dat moment in de auto. Ik zette de speaker aan. Het was mijn zusje. Ze was helemaal in tranen. Ik verstond haar niet. Het leek belangrijk. Ik zette mijn auto aan de kant. “Ze gaan de baby van mij afpakken”, dacht ik te horen. Ik schreeuwde dat ze moest kalmeren, want ik kon haar niet goed verstaan. Uiteindelijk kwam het hele verhaal er uit. “Ze gaan, zodra de kleine geboren is, haar in een pleeggezin doen”. De reden wist ze niet. “Hoezo weet je dat niet?!”, beet ik haar toe. Ze gaf mij een telefoonnummer van een man van jeugdzorg Noord-Holland. Hij kon mij meer vertellen. Het lukte haar niet. Nog steeds stond ik midden in de winkelstraat geparkeerd. Toch belde ik direct die man vanuit mijn auto. Dit kon geen tel wachten. Ik moest hier het fijne van weten.

Ik wilde voor mijn nichtje zorgen

“Mevrouw, we wisten niet eens dat de moeder een zus had!”, gaf de man van jeugdzorg aan. Ik wist één ding zeker: dit kleine meisje mocht niet naar een vreemde gaan. Vele vragen spookten door mijn hoofd en ik sprak deze over de telefoon uit. “Waarom wordt het kleine meisje uit huis geplaatst?” Ik kreeg het antwoord waar ik zo bang voor was. Ze hadden amfetamine in het bloed van mijn zus gevonden. De woorden dreunden lang na in mijn hoofd. Hij vervolgde het gesprek. “We kunnen proberen of de kleine naar u kan, als u dat wil, maar besef wel dat dit geen “gewoon” kindje zal zijn”. Dat kon mij niet schelen. “Geeft niets. Ik wil dat ze bij mij komt wonen”, antwoordde ik resoluut. De volgende dag zou jeugdzorg komen kijken of ons huis babyproof was. Binnen 24 uur heb ik mijn kamer omgetoverd tot een babykamer en de rest van het huis aangepakt.

De geboorte van de baby

Op 10 september, de volgende dag, kreeg ik hèt telefoontje: de kleine dame was geboren. Ze woog 1800 gram. Ik huilde intens. Niet alleen van blijdschap, maar ook van verdriet om het lage gewicht. Ik had zo met dit kleine meisje te doen. Ik wilde er direct heen, maar ik moest wachten. Eerst kwam jeugd- en pleegzorg langs. Nog geen uur later arriveerden ze. “Mevrouw, weet u het ècht zeker?”, vroegen ze mij. “U wordt helemaal gescreend. U mag geen strafblad hebben. Het zal bovendien veel aanpassingen vergen, weer een baby in uw leven”. Iedereen keek mij aan. “Ja, meneer, ik weet het zeker”, antwoordde ik.

Dit was het telefoontje dat de rest van mijn leven zou gaan veranderen

Het weekend naderde. Mijn eigen kinderen gingen naar hun vader, dus ik kon in de auto stappen om naar mijn kleine nichtje te gaan kijken in het ziekenhuis. Daar lag een klein lief, hulpeloos meisje met slangen en sonde in een bedje. In plaats van geluk voelde ik woede. “Hoe kan je dit een kindje aan doen?”, dacht ik boos. Mijn vechtlust om haar bij mij te krijgen werd alleen maar groter. Na het weekend ging mijn telefoon. Dit was het telefoontje dat de rest van mijn leven zou gaan veranderen. “Mevrouw, we hebben besloten dat de baby naar u mag. Voor zes weken. In die tijd gaat moeder naar een afkickkliniek en gaan ze met zijn drieën naar een ouderhuis”. “Prima”, dacht ik, “zolang die kleine maar niet naar een vreemde gaat”. Het kleine meisje moest nog een tijd in het ziekenhuis blijven, want ze kon nog niet zelfstandig drinken. Ik bezocht haar zoveel mogelijk. Elke dag zat ik 4 uur in de auto, maar ik deed dat met liefde.

Dit verdiende zij niet

Mijn zus bleef ontkennen dat ze had gebruikt tijdens de zwangerschap en ook vader ontkende dit. Na de zoveelste dag in het ziekenhuis, kwam de arts naar mij toe. “Mevrouw, we hebben van jeugdzorg te horen gekregen dat we met u medische gegevens mogen bespreken. Haar ouders komen amper langs”. De tranen rolden over mijn wangen. Het was genoeg zo. Ik wist wat me te doen stond: het baby’tje naar een ziekenhuis bij mij in de buurt halen. Ik pakte gelijk mijn telefoon en belde jeugdzorg. Twee dagen later kreeg ik een belletje terug. Het kleine meisje werd naar het ziekenhuis in Utrecht over gebracht. Dichtbij mij.

Ik wachtte de kleine op in het ziekenhuis. Ze werd met de ambulance gebracht. Ik zag een brancard met een maxicosi erop en daarin een heel klein meisje. Mijn hart brak. Tranen rolden over mijn wangen. Gelukkig begrepen de ambulancebroeders en de zusters heel goed hoe ik mij voelde. Ik was elke dag van 9.00 tot 14.00 uur en van 18.00 tot 00.00 uur in het ziekenhuis. Mijn andere kinderen waren even wat meer bij hun vader. Gelukkig begrepen zij het allemaal heel goed. De dagen verstreken.

Ik mocht de baby mee naar huis nemen

Op een maandag liep ik naar de verpleegkundige om de familiekamer te reserveren. Ik wilde graag blijven slapen. Het mocht. Wat keek ik hier naar uit. Een hele nacht bij de kleine meid. De verpleegkundige kwam weer naar mij toe. “We hebben overleg gehad. Wilt u leren om voeding over de sonde te geven?”. Blijdschap bij mij. “Ja, natuurlijk wil ik dat”, antwoordde ik. “Mooi”, zei ze, “want als u dat kunt, mag ze mee naar huis”. Ik keek haar aan of ik vuur zag branden. “Naar huis?”, fluisterde ik. Ik voelde blijdschap, maar ook verdriet en spanning. Er gingen een aantal dagen voorbij. En toen kreeg ik het ontslaggesprek. De kleine mocht met mij mee. In mijn slaapkamer lag ineens een klein meisje. Ik wilde er voor haar zijn. Zolang ze bij mij was zou ik doen wat ik kon. Ik durfde mij niet helemaal open te stellen, want over zes weken zou dit meisje weer weg gaan. Toch? De weken verstreken. Het waren soms zware weken. De sonde geven was geen pretje. Ik merkte wel dat ze erg rustig werd bij mij.

Het definitieve afscheid naderde

De zes weken gingen zo snel voorbij. Het was bijna zover, het afscheid. Ik wilde er niet aan denken. Ik had nog niets gehoord over hoe en wat. Plotseling ging daar mijn telefoon. “Jeugdzorg”, zag ik op het scherm. “Goedemiddag, mogen wij morgen bij u langskomen?”. “Natuurlijk, stamelde ik en ik hing verbaasd op. “Waarom willen ze langs komen? Is het morgen al zover? Gaat ze dan weg?”, peinsde ik. Jeugdzorg zelf liet er aan de telefoon niets over los. En ik kon het ook niet aan mijn zusje vragen, want we hadden om het bestwil van de kleine alleen contact via jeugdzorg.

Verlening van pleegzorg

De nacht die volgde was lang. Ik heb bijna heel die nacht huilend op de bank met de kleine in mijn armen doorgebracht. Ik was gebroken. Mijn deurbel ging in de ochtend. Daar waren ze. Deze keer kwamen er meer mensen op bezoek dan normaal. Ze waren met drie man, in plaats van de gebruikelijke twee. Twee mensen van jeugdzorg en één van pleegzorg. Ik kreeg buikpijn. “Ja hoor”, dacht ik, “ze komen haar halen”. Ik kon ze nog net een kopje koffie aanbieden, maar ik wilde eigenlijk gelijk horen waar ze voor kwamen. Na een lange stilte, schraapte een vrouw haar keel. “We hebben heel veel gesprekken gehad. Moeder pakt de hulp niet aan. Ze blijft van alles ontkennen. Onze vraag is of de baby voor nogmaals zes maanden mag blijven”. Mijn hart maakte en sprongetje. Natuurlijk hoefde ik daar niet over na te denken. Ik riep gelijk: “Natuurlijk!” Ik hield echt van dit meisje. Trouwens, niet alleen ik, maar ook de andere kinderen.

De vader biechtte alsnog drugsgebruik op

We hebben zes maanden met haar geknokt. Het was een tijd vol ziekenhuisbezoeken. De logopedist kwam wekelijks voor haar voeding. Ook de fysiotherapeut deed iedere week oefeningen met haar. Mijn zus en haar vriend mochten om de week een uur langskomen, onder begeleiding van pleegzorg. Enkele weken later gingen die twee uit elkaar. De vader biechtte toen op dat er wel degelijk amfetamine werd gebruikt. Er zou een rechtszaak komen. Jeugdzorg was namelijk van mening dat de kleine niet meer terug kon naar de ouders. Moeder zat inmiddels in een dakloze opvang en vader was ook niet capabel om voor het kindje te kunnen zorgen. Jeugdzorg wilde dat de kleine bij ons zou blijven.

De dag van de rechtszaak

Wat duurde die dag lang! Inmiddels was het al 16.00 uur. Ik zat me thuis op te vreten. Toen ging mijn telefoon. Ik nam op. Aarzelend, maar tegelijkertijd gretig. “Het was een lange rechtszaak. De rechter heeft besloten dat de kleine tot haar achttiende bij jullie mag blijven”. Ik sloot even mijn ogen. “Wat?”, stamelde ik, “bij ons?” Natuurlijk wilde ik de rest van mijn leven voor haar zorgen. Ik was blij, maar ik voelde ook zoveel verdriet. Ik gun elk kind haar biologische ouders.

Inmiddels is de kleine meid 15 maanden. Ze zegt “mama” tegen mij en kan bijna alles eten. Ze groeit op haar eigen tempo. Ik ging van een alleenstaande mama van twee pubers, naar een mama van twee pubers èn een baby. Ik heb nu drie kinderen…

JANE DOE

3 gedachten over “Deze rechtszaak zou hoe dan ook mijn leven veranderen”

Plaats een reactie