Wat is er speciaal aan het speciaal onderwijs?

Al 10 jaar werk ik met heel veel plezier in het speciaal onderwijs. Deze keuze maakte ik al in het laatste jaar van de opleiding. Ik liep mijn afstudeerstage op een echte dorpsschool en in mijn klas zat één jongen die mij enorm fascineerde; van Liberiaanse afkomst en door zijn taalbarrière vertoonde hij nogal wat gedragsproblemen. Toen wist ik het: voor deze kindjes wil ik er zijn!

SBO, VSO en SO

Binnen het speciaal onderwijs onderscheiden we verschillende vormen van onderwijs. Allereerst is er het speciaal basisonderwijs (SBO), voor moeilijk lerende kinderen, kinderen met gedragsproblemen en kinderen met opvoedingsmoeilijkheden die binnen het regulier basisonderwijs niet goed begeleid kunnen worden. De kerndoelen zijn binnen het SBO hetzelfde als binnen het regulier basisonderwijs, maar leerlingen hebben langer de tijd om die te halen, namelijk tot hun 14e. Na het SBO stromen leerlingen over het algemeen door naar het vmbo, het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs (VSO).

Wanneer een leerling extra ondersteuning nodig heeft die een gewone basisschool en ook SBO niet kan bieden, kunnen leerlingen terecht op het speciaal onderwijs (SO). Hier worden kinderen nog gespecialiseerder begeleid. Meestal gaan leerlingen na het SO echter naar het VSO. Ook binnen het VSO zijn de doelen hetzelfde als binnen andere vormen van middelbaar onderwijs, maar om de kans op een diploma of een passende plek op de arbeidsmarkt te vergroten, mogen leerlingen ook hier langer onderwijs volgen, namelijk tot hun 20e jaar.

Speciale clusters

Het speciaal onderwijs is verdeeld in diverse clusters, waarbij blinde en slechtziende kinderen een aparte doelgroep vormen (cluster 1) en dove en slechthorende kinderen (cluster 2) een aparte doelgroep. Daarnaast is er een aparte doelgroep met motorisch en/of verstandelijk gehandicapte en langdurig zieke kinderen (cluster 3) en de laatste doelgroep betreft kinderen met stoornissen en gedragsproblemen (cluster 4).

Binnen het VSO waar ik werkzaam ben, werken we met ‘cluster 4 kinderen’. Vroeger noemde men deze doelgroep de ZMOK/(Z)MLK (zeer moeilijk opvoedbare kinderen/(zeer) moeilijk lerende kinderen), wat later veranderd werd in kinderen met leer- en/of gedragsproblemen. Nu spreken we dus van kinderen met stoornissen en gedragsproblemen. En dat is soms behoorlijk pittig. Toch zie ik het iedere dag weer als een uitdaging om met deze kinderen te werken. Maar een tijdje vraag ik me eerlijk gezegd zelf soms weleens af wat ons onderwijs nou zo speciaal maakt.

Nog meer extra’s

Goed, kinderen mogen dus langer doen over hun schoolloopbaan. Dat klinkt in de theorie heel mooi. Dat is toch niet het enige? Inderdaad! Binnen cluster 3 en 4 is er een nauwe samenwerking tussen diverse scholen voor basisonderwijs, SBO, SO en VSO die binnen het zogenoemde ‘samenwerkingsverband’ per leerling de allerbeste plek voor onderwijs zoeken. Voor leerlingen die zijn aangewezen op een speciale vorm van onderwijs wordt een ‘toelaatbaarheidsverklaring’ afgegeven, voor de duur van één jaar. Dit betekent dat we ieder jaar kritisch moeten bekijken of we de doelen met een leerling behaald hebben en of hij terug kan naar het regulier onderwijs. We stellen dan een toekomstplan op. Hiermee wordt aangegeven of een leerling naar vervolgonderwijs , een passende plek op de arbeidsmarkt of een andere vorm van dagbesteding gaat.

Wat ons verder ‘speciaal’ maakt, zijn ‘natuurlijk’ de welbekende kleine klassen. Binnen onze school bestaan de groepen uit gemiddeld 10 leerlingen. We kijken naar de behoeften van de leerlingen en brengen deze samen in een groep. Leerlingen met autisme hebben nou eenmaal een andere aanpak nodig dan leerlingen met ADHD. Een groep wordt geleid door een leerkracht met een pedagogische achtergrond die bekend is met kinderen met leer- en/of gedragsproblemen en bereid is nét dat extra stapje te zetten voor leerlingen die het zo hard nodig hebben om hen een mooie toekomst te bieden. Hij die een leerling weet te motiveren er het beste van te maken! Korte lijntjes met ouders is binnen ons onderwijs belangrijk. Leerkrachten mailen of bellen soms dagelijks met ouders om hen op de hoogte te stellen van de voortgang van hun leerlingen.

Deze voortgang wordt ook iedere week besproken binnen een commissie (CvB), een groep ‘wijze’ mensen die de ‘leerlingenzorg’ vormgeeft. Voor opvallende leerlingen of zorgleerlingen wordt een plan van aanpak gemaakt en indien nodig worden hierin externe instanties bij betrokken, zoals schoolmaatschappelijk werk, gemeenten, schoolarts en jeugdzorginstellingen.

We maken hiermee eigenlijk voor iedere leerling een traject op maat, waarin we kijken naar de mogelijkheden van de leerling, voor wat betreft de uitstroombestemming, het niveau, het lesaanbod en het lesrooster.

Specialer kan het eigenlijk niet denk ik!

RedactieComment