De echo van Fréderiek gaf mooi beeld, maar de hartactie klopte niet

| | ,

Mijn naam is Marthe (34) samen met mijn vriend Joeri hebben wij twee dochtertjes. Robine, onze vrolijke lieve peuter van twee jaar en Fréderiek die maar één dag heeft mogen leven. Zij is, geheel onverwacht, overleden na een zwangerschap van acht maanden. In het kader van de Babyloss Awareness Week wil ik mijn verhaal delen. Ik wil bijdragen aan de bewustwording en het bespreekbaar maken van babyverlies. Ook voor mijzelf. Het is een verhaal van liefde, van trots én verdriet. Ik vertel over Fréderiek net zo graag als over mijn levende dochter Robine, maar soms durf ik dat niet, omdat er dan een ongemakkelijke stilte valt. Binnen onze cultuur waarin het zoeken en najagen van geluk soms centraal lijkt te staan en waarin we niet graag lijken te delen dat het soms niet goed met ons gaat. Juist daarom wil ik ook graag de kwetsbare kant delen van ons verhaal, van mijn verhaal, van het verhaal van Fréderiek. Ik deel mijn rauwe emoties met jullie, zoals ik dat in de eerste weken heb opgeschreven. Omdat ik nog altijd die rauwe pijn voel, soms met meer afstand. Rouwen is hard en het is ook hard werken, nog steeds. Er is geen stijgende lijn, soms ben ik weer even in mijn gevoel daar, in wat ik deel met jullie, en dat zal altijd zo blijven.

Zoals ik een keer schreef:

Ik verlang je in mijn armen

Je bent een deel van mij

Ik ben nooit meer compleet

Maar ik draag je dicht bij mij

Mijn verhaal begint bij de intake die we in het ziekenhuis hadden. Tot dan toe was ik bij de verloskundige om de hoek van ons huis geweest, zolang alles goed ging. De laatste weken zouden de controles in het ziekenhuis plaatsvinden, omdat de bevalling van Robine middels een keizersnee was. Bij de eerste controle in het ziekenhuis hadden we een uitstekend rapport, allemaal tienen. Voor de hoeveelheid vruchtwater, lengte en gewicht zat het bovengemiddeld. Op de echo zag alles er goed uit. Ze lag mooi ingedaald in het bekken en kon geen kant meer op. Dit keer zou er niets misgaan en als het zou lukken mocht ik zelfs in bad bevallen. Alles ging goed tot we vier dagen later, ik was inmiddels 36 weken en 1 dag zwanger, ‘s avonds weer terug in het ziekenhuis waren, omdat ik mij ‘s ochtends ‘niet zo lekker’ voelde. Ik had haar de hele dag al zo weinig voelen bewegen. Misschien heel in de verte? Maar niet die duidelijke bewegingen waar ik de afgelopen maanden zo van had genoten.

In het ziekenhuis werd ik gelijk aan het CTG-apparaat gelegd. Een elastieken band met een schijf op het plekje waar haar hartje zich zou moeten bevinden. Het snelle kloppen van haar hartje klonk gelijk op behoorlijk volume door het witte kleine kamertje. Een diepe zucht van mijn kant. M’n schouders zakten omlaag en Joeri en ik lachten naar elkaar. Zie je wel. Alles goed. Niets aan de hand. De verpleegkundige zei dat ik minstens een half uur met de CTG-band om m’n buik moest liggen om een goed hartfilmpje te kunnen maken. Dat wisten we nog maar al te goed van de zwangerschap van Robine waar we meerdere malen naar het ziekenhuis zijn geweest voor extra controles. ‘Prima’, zeiden we, ‘zo dadelijk weer lekker naar huis’. De verpleegkundige vroeg nog, voor ze ons alleen liet, of ze het geluid zachter moest zetten? Het stond wel erg hard. ‘Nee, ik vind het een heerlijk geruststellend geluid’, zei ik nog. En op het snelle galopperende geluid van haar hartslag begon ik wat te lezen in het boek dat ik had meegenomen. Mijn vriend appte zijn ouders om ze op de hoogte te houden. Verder hadden we ook niets bij ons. We gingen immers ‘even voor de zekerheid’.

Na een half uur aan het CTG bleek Fréderieks hartslag niet genoeg te variëren. Het moet de ene keer sneller kloppen dan de andere keer, reageren op bewegingen. Het bleef continue dezelfde frequentie. Er werd gekeken met behulp van het echo apparaat. Terwijl de verloskundige, die het CTG moest beoordelen, uitlegde dat de beelden van dit verrijdbare echo apparaat niet zo duidelijk zijn als die van een regulier apparaat verscheen ze al in beeld. Het was het meest duidelijke en mooie echo beeld wat we tot dan toe van haar hadden gezien. ‘Zie je dat? Ze zuigt op haar duim’, zei de verloskundige. Dat was duidelijk te zien. Wat schattig. We lachten naar elkaar en zeiden: ‘Ons lieve meisje’. De beelden waren geruststellend voor ons. Minder voor de verloskundige. Het was mooi beeld, maar de hartactie klopte niet. Nog maar even blijven liggen, op m’n linkerzij, misschien zou ze dan wakker worden en meer gaan bewegen. In dat geval zou het lijntje op het beeldscherm mooie bergen vertonen in plaats van deze vlakkere lijn. Wij hadden nog altijd alle vertrouwen. Geen spoortje ongerustheid. De verloskundige wilde voor de zekerheid even overleggen met de gynaecoloog. ‘Prima’, zeiden wij, ‘alleen maar goed. Dan kunnen we daarna naar huis’. ‘Misschien nog even een ijsje halen op de terugweg’, voegde ik toe.

De gynaecoloog kwam binnen, een rijzige daadkrachtige en directe vrouw. Opeens vielen de woorden ‘keizersnede binnen een half uur’. De woorden werden op tafel gesmeten. Ik keek ernaar. ‘Wat? Wacht even? Waarom? Wat hebben we gemist?’, flitste er door mijn hoofd. Ik wilde helemaal geen keizersnee. Deze bevalling zou anders worden. We kwamen gewoon even op controle, voor de zekerheid, omdat ik minder leven voelde. Drie dagen ervoor hadden we nog een prachtige controle gehad. Het hartje klopte, dus alles was prima… Toch? Ik was op dat moment 36 weken en 1 dag zwanger. De gynaecoloog sprak korte duidelijke zinnen. De lijn van haar hartje, wat te zien was op het beeldscherm, was te repeterend. Dat hoort niet. Er moest ingegrepen worden. Wij keken elkaar aan. ‘Wat als we niets doen? Moeten we niet afwachten? Zijn er alternatieven?’. ‘Als je morgen een dood kind in je buik hebt, vergeef je het jezelf nooit meer’, sprak de gynaecoloog. De woorden sloegen ons keihard wakker als een klap in ons gezicht. ‘Maar’, zei de gynaecoloog ook, ‘voor hetzelfde geld halen we er een huilend kind uit’. Goed, dat zou gebeuren, dat wisten we zeker. Het andere scenario bestond niet meer voor ons. Ik vroeg of ik nog even naar de wc mocht. ‘Dat hoeft niet’, zei de verloskundige. Ik zou nu gelijk klaargemaakt worden voor de operatie en er zou een katheter ingebracht worden. Toch ging ik even. Op de wc barstte ik in huilen uit. Mijn snikken galmden tegen de witte kale koude ziekenhuistegels. Naast mij bungelde een rood koord met een bolletje onderaan, voor nood. Ik wilde er aan trekken. Help me! Ik wilde ook weg. Terug naar huis met onze baby in mijn buik, doen alsof er niets aan de hand was. Maar dit moest. Nu. Ik moest dit nu ondergaan. Het mes zou opnieuw in mij gezet worden.

Op de gang drukte Joeri zich tegen mij aan. We keken elkaar zenuwachtig aan. Het ging gebeuren. Zo dadelijk hadden we ons meisje al in onze armen. Ik had een zenuwachtig gevoel. Terug naar het kamertje. Er werd mij uitgelegd wat er allemaal gebeurde. ‘We brengen een infuus bij je in en we nemen bloed af’. Ik luisterde half, onderging het. Ik wist wat er zou gebeuren. Het maakte me niet uit. Behalve dan die katheter. Dat vond ik zo’n rot gevoel. Wist ik nog van de vorige keer. Beelden van de keizersnee bij Robine doemden weer op: Het bed reed snel door de gang. Ik lag er koud en trillend in. Dat trillen, ik had er geen controle over. Spanning. Bij Robine was ik ziek. Ik had het HELLP-syndroom. Ik was nu gezond, toch?!

WORDT VERVOLGD…

 MARTHE

Plaats een reactie