Er werd een grijs slap mannetje op m’n borst gelegd

| | ,

Bij Morris was ik tijdens m’n zwangerschap medisch, omdat hij niet goed groeide. Ik had nauwelijks vruchtwater en z’n groei bleef steeds meer achter. Uiteindelijk moest ik vanaf 35 weken iedere twee dagen naar het ziekenhuis om alles nauwlettend in de gaten te houden. Toen ik met 38 weken voor controle in het ziekenhuis kwam, samen met een vriendin om de tijd van het hartfilmpje te doden, werd me verteld dat de baby buiten m’n buik beter zou groeien dan erin. Letterlijk kreeg ik de boodschap: “Ik ga even bellen of ik morgen een plekje heb”. Toen raakte ik lichtelijk in paniek. “Morgen?! Nee, dat kan niet, dat is veel te snel”. Het antwoord was: “Ok, dan overmorgen”. Op de parkeerplaats hebben we mijn man Bas gebeld. Hij dacht dat ik een grapje maakte. Gek eigenlijk, achteraf gezien, dat je al die tijd weet dat het eraan komt, maar dat het toch nog onverwacht is. Heel vreemd!

“Overmorgen” was vrijdagochtend 22 augustus 2014. Om 7:30u werd ik opgenomen in het ziekenhuis om ingeleid te gaan worden. Eerst kreeg ik een ballonnetje om ontsluiting te krijgen. Dit ballonnetje moest 24u blijven zitten. In de loop van de dag begonnen er wat krampjes te komen, dus m’n lichaam reageerde er wel op. Ik had 10 dagen nauwelijks geslapen door vreselijke zwangerschapsjeuk en gelukkig kreeg ik in het ziekenhuis die nacht een slaapmiddeltje. Zo zou ik fitter de bevalling in gaan. De volgende ochtend kreeg ik groen licht om mijn vliezen te laten breken. Ik had 1,5 centimeter ontsluiting. Ze gebruikten een gigantische breinaald met een haakje eraan. Er kwam een heel klein “golfje” vruchtwater uit mij. Daarna werd ik aan het infuus met weeënopwekkers gelegd. Toen begon de hel al een beetje. De weeën kwamen gelijk op gang. Het was nog te doen, maar wel al onprettig. Ik heb een hele hoge pijngrens, dat terzijde. Na een uur kwamen er rugweeën bij en niet veel later ook beenweeën. Er werd me steeds gezegd dat ik pijnbestrijding zou kunnen nemen, maar ik wilde dit zelf doen. Bas en ik waren eigenlijk steeds samen in de kamer en heel af en toe kwam er een gynaecoloog binnen om even alle controles uit te voeren. Ondertussen waren we al een paar uur bezig en was m’n ontsluiting een aantal keer gecheckt: 4 centimeter. Een uur later ook. En weer een uur later nog steeds 4 centimeter. Er ging een shift met gynaecoloog en verpleging voorbij en ik kreeg een ander team. Het werd nu na dik 7 uur heftige weeën écht zwaar. Ik raakte een beetje vermoeid. Ze hadden m’n ontsluiting door de wisseling van het team al even niet gecheckt, dus ze vermoedden dat ik nu wel een eind op weg was, vooral ook door de hevigheid. Toen kwam de mokerslag: 4 centimeter. Nog steeds 4 centimeter. Ik kon niet meer. Ik was kapot. Ik zag het niet meer zitten. Toen kwam het moment dat ik instemde met een ruggeprik. Dit was op dat moment nog de enige keus, omdat ik nog een lange weg te gaan zou hebben in dit tempo en de andere pijnbestrijders niet langdurig zouden werken. Binnen 10 minuten zat de prik erin en kreeg de wereld eindelijk weer kleur! Jeetje, wat een verademing. De ruggenprik was niet helemaal goed gezet waardoor ik meer gevoel had dan de bedoeling was. Maar dat vond ik niet erg. Ik voelde de weeën wel duidelijk, maar ze waren niet meer zo hevig pijnlijk. Ik werd weer warm, want ik rilde daarvoor van de kou. Er stroomde geen bloed meer naar mijn vingers en tenen, omdat m’n lijf zo hard aan het werk was. Nu was alles weer fijn! We keken uit het raam naar het vuurwerk op Scheveningen. We kletsen en keken samen vanaf mijn bed tv. Het werd erg gezellig. Af en toe kwam er een gynaecoloog kijken en de ontsluiting was bij iedere check iets meer. Dit had ik dus veel eerder moeten doen. Maar goed. We konden de tijd niet terug draaien. Weer een nieuwe check: 7 centimeter.

Niet veel later kreeg ik uiteindelijk om 23:15u de verlossende woorden: “Volledige ontsluiting!” “We gaan beginnen”, zei deze leuke jonge mannelijke gynaecoloog gekscherend. Eindelijk! Ik had het gered. Het einde was in zicht. Ik perste of m’n leven er vanaf hing, drie keer in één wee, soms zelfs vier keer. Na driekwartier persen, kwam Morris op de wereld. Maar wat helaas de verlossing had moeten zijn, was het begin van een slechte scène uit een film. Er werd een grijs slap mannetje op m’n borst gelegd. Snel bleek dat het niet goed was. Er werd op een knop gedrukt en alsof er ninja’s uit het plafond kwamen, stond ineens de kamer vol artsen. De navelstreng werd vliegensvlug doorgeknipt door de gynaecoloog en Morris werd meegenomen door vier artsen naar een andere kamer. Bas keek me aan en ik seinde dat hij mee moest gaan. Weg waren ze. Ik lag daar, terwijl de placenta nog geboren moest worden. Ik was volledig uitgescheurd en moest ook gehecht worden. Het voelde alsof ik in een slechte droom zat en alles van een afstand bekeek. De gynaecoloog zei niet veel, maar probeerde me wel gerust te stellen. Gek genoeg kwam er een soort rust en kracht over me heen. “Dit gaat goed komen”, was het enige dat ik dacht. “Nog even persen voor de placenta”. Ik herinner me nog vaag dat de arts vroeg of hij hem moest bewaren voor Bas. Maar dat hoefde niet van mij. Vervolgens voelde ik uit het niets een golf van misselijkheid opkomen. Ik kon het nog net duidelijk maken. De arts gooide een kartonnen bakje naar me toe. Alles kwam er uit. Uiteindelijk was ik zes bakjes verder en voelde ik me opgelucht. “Je kan beginnen met hechten”, zei ik. Af en toe kwam er een arts binnen en veranderde het bericht positief naar: “zo goed als buiten levensgevaar”.

Vier uur later, gehecht en wel, kon ik eindelijk naar de kinderafdeling gereden worden en mocht ik Morris zien. Een minimensje met allemaal slangen en pleisters lag aan de beademing in de couveuse. Hij mocht er even uit en bij me liggen. Wat een wondertje dit kleine mannetje. Hij woog 2400 gram, maar was zo dapper en sterk. Ik had het gedaan: Een mens gemaakt. Morris bleef op de kinderafdeling en wij konden gelukkig in het kraamhotel van het ziekenhuis verblijven. We mochten ieder moment naar hem toe. Na zes lange dagen met ups en downs mochten we eindelijk naar huis. We hadden een zoon!

LENNEKE

Plaats een reactie