Thuis zie ik een diepe tandafdruk van een ander kindje in de arm van mijn zoontje Sibren

| | ,

Het was een winterse dag. Ik had Sibren (3 jaar oud) een dik grijs vest aangedaan met een legerbroek. Ik weet dat nog omdat hij ruzie maakte over het feit dat het vest dicht moest. Het was 8.30 uur en om 9.00 uur moest hij op de kinderopvang zijn, volgens mijn eigen planning. Ik greep naar zijn naamtas, propte er een extra romper in en nieuwe sokjes. Samen renden we naar de auto en reden naar de opvang.

Daar aangekomen was het flink druk. De meeste kinderen van zijn groep worden veel vroeger gebracht. Ik vind het een fijne luxe dat dat bij ons niet nodig is. Ook hoeft Sibren van mij nooit tot het einde van de dag te blijven. Mijn man haalt hem meestal tussen 17.00 en 17.30 uur op. Erg fijn dat beide ouders bekend zijn met de leidsters en het reilen en zeilen op de crèche. In de hoek zie ik een baby in een wippertje huilen. Terwijl er in het midden een kleuter over het kleed valt. Een leidster ziet het en rent er naar toe. Adequaat. Gelukkig. Ik stop de reservekleertjes in het bakje van Sibren en klets hierna met één van de leidsters. Ik ken haar niet. Ze stelt zich voor en vertelt dat ze een invaljuf is. De laatste tijd zijn er wat vaker invallers. Ik vind dat niet prettig, maargoed je hebt geen grip op zieke leidsters of vakantiedagen. Toch merk ik dat ik chagrijnig word. Ik vertel haar niet meer dan noodzakelijk over Sibren: hij is bijna zinnelijk, moet wel herinnerd worden aan de wc, houdt niet van worst, heeft goed geslapen en speelt nu bij de auto’s. We nemen afscheid en ik loop naar Sibren. Ik geef hem een dikke knuffel. We spelen ons ritueel af: ik draai me om, terwijl hij naar me kijkt en wacht. Op het nippertje loop ik nogmaals naar hem en geef hem een kusje op zijn voorhoofd. “Tot vanavond kleine man”, zeg ik. Hij draait zich om en stort zich op de autohoek. Dit ventje is zo makkelijk. Altijd al geweest.

Op mijn werk heb ik een normale dag en de tijd vliegt. Voor ik het weet is het alweer 17.00, moet ik afsluiten en ga ik op weg naar huis. Daar tref ik mijn man en Sibren. Ik geef de kleine een knuffel en zeg dat ik blij ben om hem weer te zien. Hij gaat even op de bank liggen tv kijken. Ik en mijn man koken samen een snelle hap: krieltjes, broccoli en gehaktballen. Na ruim 20 minuten kunnen we aan tafel. “En hoe was het op de opvang”, vraag ik met een grote lach. Sibren vertelt vrolijk over de rode brandweerwagen en de groene truck. “Mijn laarzen zijn vies, van het buitenspelen”, sluit hij af. “Dat geeft niets”, antwoord ik, “Ik maak ze wel schoon”.

Om 19.15 ga ik met Sibren naar boven. Ik rits zijn vest open en terwijl deze afglijdt, zie ik twee voortanden en twee ondertandjes in de onderarm van hem staan. Het is een dieppaarse plek. Ik schrik me rot. Dat is een flinke beet! Echt een akelig gezicht. Ik heb medelijden met mijn zoon. Van binnen word ik kwaad. Sibren trekt een verdrietig gezicht en zegt dat “Jan”, een ander kindje van de groep, hem heeft gebeten. “Dat moet pijn gedaan hebben”, denk ik woest. “Wat deed je toen?“, vraag ik Sibren zo rustig mogelijk. Hij vertelt dat hij hard huilde en dat de leidsters de twee uit elkaar heeft gehaald. “Heb je niet gezegd dat je pijn had?“, vraag ik snel. Hij hakkelt dat de leidster naar zijn arm had gekeken en zei dat het wel meeviel. Hij schreeuwde ook nog dat hij naar zijn mama wilde. “Straks wordt je weer opgehaald”, had ze gezegd. Hierna ging ze de soepstengels en de yoghurt pakken. Ik kook van binnen. Dit kan toch niet? Ik moet op z’n minst gebeld worden hierover. En eigenlijk moet het andere kindje ferm toegesproken worden. Daarbij hebben ze niets gezegd tegen Harm, mijn man. Onbeschoft!

De volgende dag bel ik de opvang boos op. De betreffende leidster is er die dag weer. Ik krijg haar aan de telefoon. Ze vertelt dat de plek op de arm mee leek te vallen. Ze had aan Jan gevraagd of hij had gebeten, maar hij ontkende. Jan vertelde dat het een andere jongen was, die inderdaad ook meespeelde met de auto’s. De leidster is toen ook naar deze jongen gegaan, maar ook deze ontkende. Het bleef een onduidelijk verhaal. “Het is een onduidelijke kwestie bij kindjes van 3 jaar die niet goed kunnen praten en uitleggen”. Wat maakt ze zich er gemakkelijk vanaf. “En waarom ben ik niet gebeld?!”, schreeuw ik. Ze gaat op een monotone toon verder dat de beet meeviel. Onbegrijpelijk. Zijn hier geen protocollen voor?! “En hoe gaan jullie dit voorkomen voortaan?“, vraag ik direct. “Soms gebeuren dingen erg snel. Daar kunnen we niets aan doen”. Woest zeg ik dat dit nog een staartje gaat krijgen en hang ik op. Mijn hart bonst in mijn lijf. Ik ben onwijs kwaad.

Ik ben nu al dagen aan het malen. Ik weet niet wat ik moet doen. Deze kinderopvang voelt voor mij in ieder geval niet meer veilig en betrouwbaar. Ze denken totaal niet mee en stellen zich niet empatisch op. Het ene uur denk ik dat ik op hoge poten naar de mamager moet en het andere uur denk ik dat ik Sibren gewoon per direct van deze opvang ga halen. Is dit nou een normale gang van zaken? Stel ik me aan?

JANE DOE

Plaats een reactie