Alles in mij schreeuwt dat ik haar uit haar bakje wil tillen en bij me wil nemen

| | ,

De dag na Fréderiek haar geboorte

In de vroegste ochtend rijdt Joeri me, met bed en al, samen met een lieve verpleegkundige richting het nog schemerblauwe licht van de NICU. Er staan allemaal couveuses afgedekt met dekentjes. Fréderiek ligt in de hoek in een open bakje. Ze heeft een wit pakje aan met een kleine eskimo erop. Ze wordt beademd en ligt aan ontelbare infuuslijnen. Ik zie alleen Fréderiek …nu kan ik haar eindelijk op m’n gemak van dichtbij bekijken. Wat is ze mooi! Alles in mij schreeuwt dat ik haar uit haar bakje wil tillen en bij me wil nemen. We mogen alleen voorzichtig onze hand op haar armpje of handje leggen. Elke prikkel is er nu één teveel voor haar. Ik neem haar kleine handje in de mijne. ‘Ik zal er voor altijd voor je zijn. Ik zal alles voor je doen. Hoe je hier ook uitkomt’, fluister ik.

We worden bijgepraat. Zij heeft ergens in de dagen na die perfecte controle een sluipend zuurstoftekort opgelopen door een onverklaarbare reden. Ze heeft een koelpakje aan om haar lijfje in ‘spaarstand’ te zetten, zodat daar zo min mogelijk energie naartoe gaat. Dit om verdere hersenschade te voorkomen. ‘Hersenschade? Hoe erg is het? Wat kan er gedaan worden?’, spookt er door mijn hoofd. Voorlopig blijft ze 72 uur in haar koelpakje liggen. Er wordt herhaaldelijk benadrukt dat ze zich grote zorgen maken en dat Fréderiek erg ziek is. Ik wil het niet tot me door laten dringen, maar langzaam sijpelt het slechte nieuws zich bij mij naar binnen tot in de diepste vezels van mijn lichaam, waar het zich samentrekt tot een oneindig naar gevoel dat voorlopig niet zal verdwijnen.

We gaan even terug naar een ander kamertje, ergens in de hoek van de kraamafdeling om te rusten. We zijn inmiddels al zo lang wakker. Een verpleegkundige zegt me dat het goed is ook even wat rust te pakken. De keizersnede is ook niet op z’n zachtst uitgevoerd door de enorme spoed. Ik ben onrustig, wil eerst kolven, zodat ik toch iets voor haar kan doen, voor mijn gevoel. Ik wil zo snel mogelijk weer naar haar toe, wat doe ik hier op de kraamafdeling zonder mijn baby?

Wanneer ik ‘s ochtends weer naast haar lig met mijn bed (ik moet m’n katheter en morfinepomp nog houden, dit laatste vind ik niet zo erg), kom ik pas weer enigszins tot rust. Haar toestand lijkt deze ochtend stabiel, wel blijven de artsen de ernst van de situatie benadrukken. Voorzichtig heb ik toch wat hoop. We zijn zoveel mogelijk bij Fréderiek. Haar opa’s en oma’s komen haar in de loop van de ochtend bewonderen. Ze lijkt er minder goed uit te zien, moe. Ik wil dit niet voor haar. Kan ik haar niet gewoon van al die slangetjes aftrekken en haar bij me nemen? Wat heeft het voor zin? Dan bemerk ik dat mijn hoop vervliegt. Wanneer ik nog even alleen met haar ben en de verpleegkundige zegt dat ik vooral bemoedigend tegen Fréderiek moet praten, merk ik dat ik dat niet meer kan opbrengen. Onmiddellijk voel ik me schuldig. Ben ik nu een slechte moeder? 

Mijn bange voorgevoel wordt bevestigd. Het gaat inderdaad niet goed met Fréderiek. Ze reageert op geen enkele medicatie. De artsen zeggen dat ze straks met ons willen spreken. Ik weet wat dit betekent. Joeri is nog optimistisch, loopt mee om mijn broer en schoonzus gedag te zeggen. Ik ben alleen. Ik breek. Tegen de verpleegkundige die binnenloopt spreek ik mijn grootste angst hardop uit: ‘Ik ben bang dat ze het niet gaat redden’. Ik schrik er zelf van. Ik kan geen woorden vinden om dit met Joeri te delen, de pijn is te groot. 

De artsen zitten bij ons in ons achterkamertje van de kraamafdeling. De grauwheid ervan past bij de woorden die al in de lucht hangen voor ze zijn uitgesproken. Ik weet wat ze gaan zeggen. Joeri stort in. Ik troost hem. Uit de voorlopige scan is gebleken dat Fréderiek al teveel hersenschade heeft opgelopen. Het heeft geen zin om haar nog twee dagen te ‘behandelen’. Ze heeft het te zwaar. Onze baby, mijn meisje, Fréderiek gaat dood. Dood. Ik kan dit niet.

Kort daarna is de leeuw in mijn moederlijf wakker geschud. Goed, laten we haar dan zo snel mogelijk bij ons nemen. We mogen de beademing stoppen wanneer wij willen en we besluiten dat we daar niet te lang mee willen wachten. Het gesprek vindt in de middag plaats, nog diezelfde avond rijd ik weer met mijn bed naar de NICU. De verpleegkundigen daar zijn fantastisch, ze weten alles én ze zijn zo ontzettend lief. Ze praten zo liefdevol tegen haar en zijn een grote steun voor ons. Ik merk dat ik zenuwachtig en gelukkig ben, omdat we haar eindelijk in onze armen mogen nemen en dat zij uit haar lijden verlost wordt. Al mijn gevoelens lopen door elkaar en zijn doordrenkt van de hormonen.

In haar hoekje van de NICU is een tent gemaakt van gordijnen, er is een fotograaf van stichting Make a Memory gekomen om haar en ons op de foto te zetten. Even voel ik alleen maar trots, zonder haar koelpakje en al die infuuslijnen is ze nog zoveel mooier. Eindelijk wordt Fréderiek in mijn armen gelegd. In mijn hart verschijnen scheurtjes. We zijn zo trots. Strelen haar prachtige haartjes. Bewonderen haar. Even vergeten we dat we haar moeten laten gaan. Nog anderhalf uur ademt ze door, steeds zachter en zachter totdat ik voel dat ze er niet meer is. ‘Meisje wat ben je mooi. Je ligt hier volmaakt in mijn armen’, denk ik. Mijn lieve broer komt langs, hij was al onderweg. Ik laat haar vol trots zien en vergeet even dat ze zojuist is overleden. De verpleegkundige blijft zacht tegen haar praten wanneer ze haar verzorgt, bij mij op bed. Ik ben zo trots op Joeri. Hij trekt Fréderiek haar eerste pakje aan. We moeten haar achterlaten, omdat ze koel gehouden moet worden. Ze blijft op de NICU. Wij vallen een paar gangen verderop in een korte onrustige slaap. We zijn al twee dagen wakker. 

Ik word wakker van mijn eigen diepe snikken en hap naar adem. Mijn hele lijf beweegt door de diepe halen en mijn diepe buikwond maakt de pijn nog heviger. Met veel moeite lukt het om mijzelf te verplaatsen in het ziekenhuisbed, terwijl ik het gevoel heb dat ik bijeengehouden word door hechtdraad. Tegelijkertijd speelt het meest onthechtende zich in mij af. Nu schrik ik wakker van de hevige emoties die van mij blijken te zijn. Mijn buik voelt beurs. Bij elke beweging lijkt het alsof mijn wond openscheurt. Mijn borsten voelen pijnlijk hard en opgezet. De moedermelk breekt zich, evenals mijn verdriet, een weg vanuit een ondefinieerbare diepte naar buiten. Mijn hele lijf huilt: zweet (deels door de hormonen, deels door de morfine), tranen, bloed, melk… Het is niet te stoppen. Mijn glazige blik vindt geen weerkaatsing in een doorzichtig ziekenhuiswiegje. Ik zoek haar tevergeefs. Ze is niet bij ons. 

Even later wordt ze naar ons toe gereden in haar bakje van plexiglas. Koud en met zoveel meer afstand dan ik verdragen kan. Dood, definitief, onbeweeglijk. Ik voel me verscheurd. Ik ben een kraamvrouw zonder baby. Kraamtranen zal ik niet hebben in de dagen die volgen. De voorraad tranen blijkt, evenals wij, uitgeput en wij zoeken onze weg in de stilte die naadloos aansluit bij die van Fréderiek. Waar is mijn baby? Ik heb moeite te bevatten dat zij het is, dat levenloze lieve lijfje dat zo zorgvuldig in het ziekenhuisbedje is gelegd. Joeri heeft haar eerste pakje aangedaan met bijpassend mutsje. Ze ligt toegedekt onder een gebreid roze dekentje, maar de stijve onbeweeglijkheid past niet bij de speelse bewegingen die ik enkele dagen ervoor nog in mijn buik voelde. Het komt niet in me op haar uit het wiegje te halen en haar dicht bij me te nemen, omdat ik me te verscheurd voel in deze onwerkelijkheid. De dag erna zal ik Fréderieks kleine lijfje met de grootst mogelijke tederheid oppakken om haar mee te nemen naar huis. Ik zal erachter komen hoe zacht ze is en dat zij het is, mijn meisje. 

MARTHE

Plaats een reactie