De eerste dagen van prematuur Scott

| | , ,

Een klein huisje. Een klein kamertje. Een bedje. Van plexiglas. Met vier gaten. En een deksel. Een klein doorzichtig huisje wat jou warm gaat houden. Wat jou gaat beschermen tegen invloeden van buitenaf. Licht. Geluiden. Geuren. Een huisje wat een beetje moet lijken op een baarmoeder. Moet voelen als het warme, veilige plekje wat je net hebt moeten verlaten.

‘Hij is er. Hoe heet hij?’ Het enige wat ik op dat moment dacht: ‘Hoe weten zij nou zo zeker dat alles goed met je is? Waarom zijn ze zo blij?’ ‘Scott’, zeg ik met een bibberend stemmetje. ‘Hallo Scott. Welkom!’. Ooh lieve Scott, wat moet je op dat moment gedacht hebben? Gevoeld hebben? Het ging allemaal zo snel. Je werd in de lucht gehouden en het volgende moment moest je snel in een plastic zakje, zodat je je warmte niet zou verliezen. En daar ging je. Weg van dat warme, veilige plekje. Weg van de enige bekende stem in de kamer. Niet dat ik veel kon zeggen. Je werd meegenomen door vreemde mensen. Allemaal vreemde handen aan je tere kleine lichaampje. Wat zeggen ze allemaal? Wat doen ze allemaal?

Je wordt in het doorzichtige huisje gelegd. Het veilige huisje. Ze rijden met je huisje langs mama. Maar ze kan je amper zien. En jij kan haar niet zien. Niet voelen. Niet horen. Niet ruiken. Ze rijden verder. Door gangen en deuren, naar je nieuwe kamer. Je nieuwe plekje. Geen kamer voor jezelf. Die hebben ze helaas niet. Samen met andere kindjes lig je op een grote kamer. Andere kindjes die ook in glazen huisjes liggen. Op je borst zitten stickertjes. Aan deze stickers zitten kabeltjes. En die kabeltjes, die zitten weer vast aan een monitor. Laten we dat maar een tv noemen. Voor jou zou is deze tv heel saai zijn. Maar voor alle vreemde mensen in de witte jassen en voor papa en mama, was die tv alles behalve saai. We konden er de hele dag naar kijken. En wist je dat die monitor ook geluid maakte? Hij kon allerlei pieptonen maken. En als één van de stickertjes een seintje kreeg dat er iets niet goed was in jouw lichaam, dan begon de monitor te piepen. Voor iedereen buiten het glazen huisje was dat heel handig. Maar wat moet dat voor jou een vervelend geluid zijn geweest. En jouw monitor was niet de enige in de ruimte. Er was constant wel een piepje te horen van één van de monitoren. Ik hoop dat jouw huisje je genoeg heeft kunnen beschermen, dat je niet teveel ongemak hebt gehad van de piepjes.

Je hebt ook een infuus. De lange lijn noemden de mensen in de witte jassen die. Die ging helemaal van je arm tot in de buurt van je hart. Zo konden ze jou medicijnen geven. En dan hoefden ze je niet zo vaak te prikken. Niet nog vaker in ieder geval. Want ze moesten al vaak bloed prikken. Vooral in je hakje. Dan knepen ze in je voetje om er een druppeltje bloed uit te krijgen. Die kleine lieve voetjes van je. Dat lieve tere lichaampje van je.

Ook had je een kapje op. Dat kapje hielp je met ademen. Het maakte het wat makkelijker voor je. Zo hoefde je niet zo hard je best te doen. Zo hard te vechten. Zo kon je een beetje rusten. Je energie sparen. Wat moet dat allemaal vervelend gevoeld hebben. Allemaal kabeltjes. Dat kapje. De piepjes. Alle stemmen die je constant hoorde.

Opeens was er weer licht. Er hing een doek over je glazen huisje. Die doek zorgde ervoor dat het lekker donker was. Want in mama’s buik was het ook donker. Maar opeens was de doek weg. Er komt koude lucht in je huisje. Op je blote huidje. De geluiden worden harder. Waar komen die geuren vandaan? Wat is dit allemaal? Je kent het allemaal niet. Wat een spanning. En wat is dat? Is dat iets bekends? Ja. Het zijn de handen van papa en mama. Ze komen door de gaten in het glazen huisje naar binnen. Ze leggen hun handen op je. Papa en mama willen je aaien. Willen je vasthouden. Maar dat kan niet. Je bent te kwetsbaar. Je moet eerst sterker worden. Herstellen. Wennen aan je nieuwe plekje. Wennen aan alle prikkels. Maar papa en mama zijn bij je. Ze leggen hun handen op je. Ze fluisteren tegen je. Ze zijn er voor je. Ze zijn er met je.

Lieve Scott. Waarschijnlijk zullen we nooit precies weten wat de eerste periode van je leven voor effect op je heeft gehad. We kunnen alleen maar gissen. Je was er nog niet klaar voor om geboren te worden. Het ging te snel. Te vroeg. Je was nog niet klaar voor alle nieuwe prikkels. Je hebt zo hard moeten vechten. Je bent een vechter. Je bent een kanjer.

MARLINDE

Plaats een reactie