We krijgen een boekje in ons handen gedrukt waarin staat dat ik de bevalling misschien niet overleef

| | ,

Voordat je verder leest, is het handig dat je de vorige delen leest.

Deel 1: We krijgen bizar nieuws bij de echo

Deel 2: De arts komt binnen, gaat op mijn bed zitten en dan weet ik eigenlijk al genoeg

Eenmaal op de verloskamer gaat het vrij snel. Ik ben heel duidelijk in mijn wens om vaginaal te bevallen, het in ieder geval te proberen. En omdat onze dochter heel netjes ingedaald ligt, mag dat ook. Met het nodige geweld wordt er een ballon geplaatst. De anesthesist wordt erbij gehaald om nieuwe infusen te prikken, want door het vocht is het niet meer te vinden voor de verpleging. Daarna komt de catheter erin, want lopen mag niet meer. Aan de paal naast mij wordt een doorlopend infuus met magnesiumsulfaat opgehangen. Het is een gek, prikkend, gevoel. Maar het belangrijkste: het moet voorkomen dat het vocht niet naar mijn hoofd stijgt.

Ik zou de bevalling misschien niet overleven

Als na een half uur alles tot rust komt in mijn kamer en ik helemaal aangesloten op het bed lig, komt er een verpleegkundige binnen. Ze overhandigt Wouter een boekje en zegt tegen hem dit goed bij te houden. Als ze weg is, kijken we er samen naar. Het is een soort van dagboekje. “Voor vrouwen met ernstige pre-eclampsie of HELLP-syndroom”. Het introductiewoordje voorin maakt het er niet beter op. In andere woorden staat er welkom bij de bevalling van uw vrouw. Ze is vreselijk ziek. Als ze het overleeft, dan zal ze zich er weinig van herinneren, dus schrijf alles vooral op. Succes.

Langzaam verlies ik steeds meer mijn bewustzijn

Ik weet nog dat op dat moment de schrik om mijn hart slaat. “Ik ga dood tijdens deze bevalling en niemand die ingrijpt”. Maar kracht wint het van onzekerheid en de acht uur daarna puf ik weeën weg. Om 23 uur komt de nieuwe ploeg aan artsen en verpleegkundigen. De arts komt kijken. 4 Centimeter ontsluiting. Hij bekijkt mij en mijn waardes. Mijn lichaam houdt het op deze manier niet vol. Ik protesteer, maar hij is duidelijk: op deze manier doorgaan en onze kindjes hebben geen mama meer. De enigste keuze die hij biedt is een ruggenprik. Mijn lijf kan dan wat ontspannen en ik wat slapen. Oke, dan maar akkoord. Omdat de anesthist vast staat in een spoedoperatie en er verder niemand in huis is, moet ik een paar uur wachten. Maar als de prik eenmaal zit, is dat een verademing. Even rusten en slapen. Ik ben minder bang. Minder bang om dood te gaan. Maar eigenlijk is dat, omdat ik steeds meer bewustzijn verlies.

De geboorte van onze eerste baby: Rozemarijn

Om half acht komt mijn eigen gyneacoloog binnen. We gaan versnellen. Hij trekt de vliezen van onze dochter stuk en daarna gaan de weeënopwekkers aan mijn infuus. Het duurt slechts drie uurtjes. Het is 11.30 uur. Ik voel de weeën door de ruggenprik heen en ze zijn van mijn buik naar mijn kont verschoven. Wouter roept de verloskundige en zij op haar beurt de gyneacoloog. De kamer vult zich met enorm veel personeel. Alles dubbel, want er komen twee kindjes, én extra kinderarts en personeel, want de kindjes zijn prematuur.

Ik krijg zes goede persweeën en dan krijgt onze dochter het zwaar. Haar hartje vindt het niet meer leuk. De gyneacoloog waarschuwt mij: “Op de volgende wee knip ik, zet ik de verlostang en wordt je dochter geboren”. Ik schreeuw nog iets over de verlostang, wat een middeleeuws ding dat is en dat niemand die nog gebruikt tegenwoordig, maar dan is ze er al.Onze Rozemarijn. Ze is er. En ze huilt. Ze is roze. Meer zie ik ook niet. Er is geen tijd. Ze moet mee naar het kinderteam om haar goed te onderzoeken.

Onze tweede baby ligt letterlijk dwars

“Het is pas feest als ze er allebei uit zijn”, had onze gyneacoloog al tijdens een controle gezegd. Dus we gaan door. Maar dat kan niet; onze zoon ligt dwars. Het idee was dat hij, als zijn zus er eenmaal uit was, zoveel ruimte zou hebben, dat hij vanzelf zou draaien. “Stuit of niet, die gaat er zo achteraan”, had de arts gezegd. Maar dat doet hij dus niet. Hij blijft liggen. Ze doen een draaipoging, van binnen en van buiten. Mijn persweeën komen alweer op gang en door de verlossing van Rozemarijn verlies ik te snel, te veel bloed. De gyneacoloog is helder. “Het wordt een keizersnede”.

Onze tweede baby wordt geboren, maar huilt niet

Alles gaat zo snel. Zoals ik net bevallen ben van onze dochter, zo racen ze met mij naar de OK. Wouter mee, maar hij moet de kamer uit op de OK. Het magnesium moet plaats maken voor volledige narcose en dat is geen fijn gezicht. Ik heb kans op een insult. Wouter wordt voor een glazendeur gezet en mag enige tijd daarna weer binnenkomen. Een sneetje, scheuren, spoed, haast, paniek. En daarna is binnen enkele minuten onze zoon geboren. Onze Bastiaan. Hij is er. Maar hij huilt niet. Hij is ook niet roze. Hij wordt levensloos op een tafel gelegd. Een verpleegkundige begint met reanimatie. Twee grote vingers op dat kleine borstkastje. Hij krijgt zuurstof. En dan… Roze armpjes, een roze buikje en langzaam trekt ook het blauw weg uit zijn beentjes. Hij leeft.

Plotseling gaat het niet goed met mij

Bastiaan wordt naar de crisiskamer gereden. Mijn man volgt hem op de voet. Nadat ze onze kleine man helemaal aangelegd hebben en hij zijn zuurstof krijgt, komt onze gyneacoloog mijn man halen. “Het gaat niet goed met uw vrouw. U moet nu meekomen”.

Dan komt er een deel van het verhaal wat ik alleen ken van mijn man. Hij heeft angst voor schade bij Bastiaan. Hij heeft een gezonde dochter, maar een vrouw die wellicht nooit haar kinderen zal zien opgroeien. Hij zit aan mijn bed. Ik hoor hem als een mantra herhalen dat hij bij me is. Hij mij niet in steek wil laten, maar zal dat wel doen als Bastiaan niet voldoende geholpen kan worden en hij per helicopter naar een kinderziekenhuis moet. Steeds maar weer herhaalt hij dat hij me niet alleen wil laten. Ik kan er niets mee. Kan alleen denken aan de dood of het overleven. Het wisselt elkaar steeds af. Ik doe mijn best, maar het is zo zwaar om te moeten overleven en de dood lijkt soms een zo welkome warme deken. Zo dichtbij.

Samen in de crisiskamer…

Maar het lukt. Ik overleef. Ik kom er enkele uren later bovenop. We gaan samen naar onze kinderen. Rozemarijn ligt op mijn borst en mijn vinger ligt tegen Bastiaan aan. Zo zitten we daar. In dat kleine crisiskamertje. Mijn dappere dochter. Mijn strijder van een zoon. En mijn grootste liefde, die op dat moment onze wereld draagt, Wouter, mijn man.

ESTHER

Plaats een reactie