Huisarts Rutger gaat langs bij Pim (9 jaar) die agressieve botkanker heeft

| | ,

‘Misschien mag je nog iets zeggen tijdens de uitzending? We zitten toch op de erereservebank? Komt er tenminste ook een keer een Vitessenaar ter sprake.’

‘Haha. En misschien dat jij op de foto mag met Frank de Boer.’

 ‘Haha ja. En daarna de kampioensschaal kussen.’

‘Maar Sven, ik moet aan het werk. Ik zie je vanavond om half zeven bij mij thuis!’

‘Ja, gezellig! Tot vanavond!’

Ik beëindig het telefoongesprek met Sven, een goede vriend van me, en stop mijn mobiel in mijn broekzak. We verheugen ons allebei op vanavond. Het is alweer drie maanden geleden dat ik een winactie voorbij zag komen tijdens mijn favoriete voetbalpraatprogramma Voetbal International. Je kon met een slogan een geheel verzorgd avondje uit winnen: een driegangendiner in een luxe restaurant en aansluitend een opname bijwonen van het programma. Ik besloot mee te doen en een week later kreeg ik via een e-mail bericht dat ik had gewonnen. Het feit dat ik drie vrienden mag meenemen, dat we worden opgehaald en gebracht door een limousine, dat we op een soort erereservebank mogen plaatsnemen en dat ik zelf mag uitkiezen welke uitzending we mogen bijwonen, maakt de prijs nog leuker. Ik koos voor de allerlaatste aflevering van het voetbalseizoen, waarin de trainer van de kampioen van de Nederlandse voetbalcompetitie aan tafel zou aanschuiven bij de mannen Wilfred, Johan en René. Ajax is kampioen geworden en dat betekent dat wij Ajax-trainer Frank de Boer in levenden lijve gaan ontmoeten. Een goed begin van het weekend dus.

Pim (9 jaar) heeft erg veel pijn

Ik start mijn computer op en leg een stapeltje faxberichten van de huisartsenpost voor me neer op het toetsenbord. Ik krijg geen kans om ze door te lezen, want de telefoon gaat. ‘Het gaat om Pim,’ zegt de assistente. ‘Hij heeft sinds vannacht veel pijn. Zijn ouders mochten van hem de huisartsenpost niet bellen, want hij wilde geen onbekende arts aan zijn bed.’

‘Zeg maar dat ik eraan kom.’

Ik hang op en trek mijn jas aan. Als ik de wachtruimte passeer, zie ik een vrouw zitten die rustig door een magazine bladert. Ik meld haar dat ik een spoedvisite heb en dat ik niet weet hoe laat ik weer terug ben.

‘Spoed is spoed. Ik wacht wel op u,’ reageert ze vriendelijk.

Pim is negen jaar. De route naar zijn huis ken ik inmiddels uit mijn hoofd. Het schilderachtige, vrijstaande huis waarin hij samen met zijn ouders en jongere broertje woont ligt net iets buiten het dorp Dinxperlo, dichtbij de grens met Duitsland. De afgelopen vier weken kreeg hij twee keer per week bezoek van een huisarts: zijn eigen huisarts komt op maandag en ik kom op vrijdag. Voor die tijd wist ik wel wie hij was, maar was een maandelijks controlebezoekje van zijn eigen huisarts voldoende. Vanaf de weg zie ik de voordeur al openstaan. De moeder van Pim vertelde me tijdens een eerder bezoek dat ze de deur overdag altijd open laten staan; op het platteland kan dat nog. Ik parkeer mijn auto, stap uit en zie een kleine jongen door het raam van de woonkamer. Hij heeft een speen in zijn mond en zwaait naar me. In zijn andere hand houdt hij een teddybeer vast. Het is het broertje van Pim, Teun. Ik zwaai terug.

Pim ligt in foetushouding op zijn bed

Als ik over de drempel van de voordeur stap, komt een licht, hoog geluid me tegemoet. Ik weet waar ik moet zijn en loop richting de tweede deur in de hal. In de woonkamer zie ik waar het onbekende geluid vandaan komt: Pim huilt. Hij ligt met een van pijn vertrokken gezicht en betraande rode ogen in foetushouding op zijn bed. Zijn dekbed met Ajax-overtrek ligt opgefrommeld aan het voeteneinde. Zijn moeder zit op de rand van het bed en aait over zijn hoofd. Ze werpt me kort een blik toe. ‘Fijn dat je zo snel kon komen. Het is zover.’

Ik pak Pims handjes

Ik til een houten, antieke stoel over twee in elkaar verstrikte kabels van Playstation-controllers en plaats die vlak voor het bed in het zicht van Pim. Ik hang mijn jas over de rugleuning en ga zitten. ‘Hoi Pim, is de pijn niet meer te houden?’ Pim sluit zijn ogen. Het kermen stopt. Enkel gesnotter. Zijn moeder antwoordt. ‘Ja, de pijnstilling lijkt niets meer te doen. Eigenlijk al een paar dagen. Hij weet wat er nu moet gaan gebeuren, maar wilde dit zo lang mogelijk uitstellen.’ Ik zoek naar de handjes van Pim. De rechter knijpt de hand van zijn moeder rood en de linker omklemt de zijkant van het bed. Ik leg mijn rechterhand op zijn linkerhand. ‘Ik weet hoe moeilijk dit voor je is, maar een injectie kan de pijn verlichten. Misschien dat er maar eentje per dag nodig is?’

Hij heeft een agressieve vorm van botkanker

Pim knikt zachtjes. Hij is sinds twee jaar bekend met Ewingsarcoom, een agressieve vorm van botkanker. De ziekte begon met een vreselijke pijn in zijn linkerheup en was na chemotherapie, een amputatie van zijn hele linkerbeen en een deel van zijn bekken en bestraling een tijdje in rust. Hij ging weer naar school en speelde met vriendjes. Kortom, hij kon weer kind zijn. Voetballen, zijn grote liefde naast Ajax, kon alleen nog met twee benen op de spelcomputer, een beenprothese was niet mogelijk. Hij was net begonnen met rolstoelvoetbal toen hij ineens pijn in zijn rug kreeg. Onderzoek wees uit dat de kanker was uitgezaaid naar zijn longen, onderrug en het overgebleven deel van zijn bekken. De prognose was erg slecht; de artsen in het ziekenhuis gaven hem hooguit een paar maanden. Ondanks dit slechte nieuws bleef Pim vrolijk en strijdbaar. Hoogstwaarschijnlijk omdat de pijn in het begin door bestraling drastisch verminderde. Helaas voor hem werd de tijd tussen de bestralingen steeds korter en de ziekenhuisbezoekjes steeds zwaarder. Samen met zijn ouders kwam hij uiteindelijk tot het besluit om de ziekenhuisbehandeling te stoppen en de zorg aan ons over te dragen. Met mijn collega sprak hij over pijnstilling en er was een methode die hij zo lang mogelijk wilde uitstellen: injecties. In het ziekenhuis had hij weleens injecties gehad en die maakten hem suf. Voor hem betekende het starten van injecties het begin van het einde en daar moest ik hem gelijk in geven.

Ik zet de injectie in zijn rechterbil

Ik tik tegen een ampul met morfine. Luchtbelletjes stijgen op en knappen open. Pim draait op zijn andere zij en zijn moeder trekt zijn pyjama- en onderbroek een stukje naar beneden. Teun rijdt een speelgoedautootje over de vensterbank. ‘Toet, toet!’ Ik plaats de injectie in zijn rechterbil en wacht het effect af. De woonkamer oogt leeg. Tot voor kort zaten er tijdens mijn bezoekjes in de middag minstens twee vriendjes luidkeels Fifa te spelen, terwijl Pim tevreden toekeek. Zijn rolstoel staat al weken verlaten in een hoek van de kamer. De wieldoppen zijn rood en wit en aan de beensteunen zit een Ajax-vlaggetje bevestigd. Het brengt me op een idee. ‘Pim, wat zou je ervan vinden als ik voor jou een handtekening van Frank de Boer scoor?’ Pim draait zijn lichaam heel langzaam weer mijn kant op, zodat ik zijn gezicht kan zien. ‘Dat zou ik gaaf vinden,’ snikt hij. Zijn moeder kijkt mij vragend aan. ‘Hoe…?’ ‘Nou, ik heb een prijs gewonnen,’ antwoord ik. In het kort leg ik uit wat de prijs inhoudt.

Even gaat het beter met Pim

De combinatie van een morfine-injectie en het vooruitzicht van een handtekening van Frank de Boer lijkt snel aan te slaan. Vijftien minuten na binnenkomst geeft Pim me een high five en schiet hij in de lach als ik voorspel dat Vitesse volgend jaar kampioen wordt. ‘Vietstas, bedoel je,’ grapt hij. Nadat ik beloofd heb om om vijf uur vanmiddag te bellen hoe het gaat, verlaat ik de woonkamer. ‘Dag, Pim. Dag, Teun.’

‘Dag, dokter,’ glimlacht Pim.

‘Toet toet!’ roept Teun.

Om half vijf belt Pims moeder. Op de achtergrond hoor ik gehuil. ‘De morfine is al uitgewerkt.’

‘Ik kom eraan.’

Een morfinepompje zou beter zijn

Ik sluit mijn computer af en wens mijn assistente alvast een goed weekend. In de auto stop ik de oordopjes van mijn mobiel in mijn oren en bel Sven. ‘Ik ga half zeven niet redden. Ga maar vast. Ik kom wel naar de televisiestudio toe.’ Niet veel later begroet ik Pim voor de tweede keer vandaag. Zijn hoofd rust op de schoot van zijn vader. Zijn moeder lijkt niet van positie veranderd te zijn. Beide ouders kijken ongerust. Het lichaam van Pim schokt van de pijn. Teun zit in het midden van een kring van knuffelbeesten. ‘Dat is de dokter. Die komt mijn broer helpen,’ licht hij mijn komst toe aan de pluchen dieren. Pim kijkt op. ‘Ik wil weer een injectie.’ Ik knik geruststellend en voer dezelfde handelingen als vanochtend uit. Het is alsof de magie van de eerste injectie is verdwenen; het duurt veel langer voordat het werkt. ‘Pim, ik denk dat een morfinepomp fijner voor je is. Dan kunnen we je pijn beter onder controle krijgen.’ Pim kijkt vragend naar zijn vader en moeder.

‘Jij moet beslissen,’ antwoorden ze tegelijkertijd.

‘J-ja, d-doe m-maar,’ stamelt hij.

Ik bel de apotheek voor de morfine en neem vervolgens contact op met de gespecialiseerde thuiszorg. ‘Kunnen jullie een morfinepompje komen aansluiten? Het liefst zo snel mogelijk.’ Een vriendelijke vrouwenstem aan de andere kant van de lijn geeft aan dat ze hun stinkende best gaan doen, maar dat ze er pas over twee uur kunnen zijn. ‘Ik blijf hier totdat ze de pomp hebben aangesloten,’ beloof ik Pim en zijn ouders. ‘Mag ik even iemand appen?’ In de bijkeuken van het huis bericht ik Sven dat ik niet weet hoe laat ik hier klaar ben, waarop Sven een foto van de limousine stuurt met de begeleidende tekst dat ze het goed naar hun zin hebben.

Tweeënhalf uur later bestudeert Pim de morfinepomp die aan zijn bed bevestigd zit. Hij wijst naar een doorzichtig slangetje dat hem met de pomp verbindt. ‘Ik zit vast aan een Playstation en ben zelf de controller.’

‘Ja inderdaad,’ glimlach ik. ‘Zo had ik het nog niet bekeken. Hoe gaat het met de pijn?’

 Pim gooit zijn hand omhoog. Onze handen klappen tegen elkaar. ‘Ik voel bijna geen pijn meer.’

‘Mooi! Vind je het goed als ik naar huis ga?’

‘Ja hoor!’

‘Jullie hebben mijn mobiele nummer en dat van dokter Claassen. Bel maar als er wat is.’

Een mooi cadeau voor Pim

Buiten weet ik dat mijn vrijdagavond voorbij is en zie ik in de inbox van mijn mobieltje foto’s van mijn vrienden in een restaurant, in een limousine en in een televisiestudio. Ik vind het niet erg. Ik ben blij dat Pim niet zoveel pijn meer heeft. Ik wens Sven nog veel plezier en dien een dringend verzoekje bij hem in: ‘Zou jij een handtekening van Frank de Boer kunnen regelen?’

Thuis aangekomen zie ik dat ik een nieuw bericht van Sven heb. Het is een foto waarop hij een gesigneerd portret van Frank de Boer vastheeft. Ik ben blij dat het gelukt is. Pims pijn zal helaas steeds lastiger te bestrijden zijn, maar de volgende keer dat ik bij hem langsga heb ik in ieder geval weer iets om hem mee op te beuren.

HUISARTS RUTGER

Op 31 augustus komt zijn boek uit “Dokter, nu ik er toch ben”

Plaats een reactie