Wij zijn er nog steeds van overtuigd dat Lou* opstartproblemen heeft

| | ,

Vera schrijft een minireeks op Kids en Kurken. Hieronder staat het eerst deel. Fijn, als je dat deelt kent, voordat je verder leest.

Deel 1: Tijdens de zwangerschap en bevalling van onze Lou* leek ze een kerngezonde baby

Deel 2: De verpleegkundige wil pasgeboren Lou* onderzoeken, want ze vertrouwt het niet helemaal

We mogen onze handen op Lou leggen

Na een bevalling en 24 uur zonder slaap zitten wij in de auto naar het Radboud UMC in Nijmegen. Onze emoties schieten alle kanten op. We zeggen weinig tegen elkaar en staren rustig voor ons uit. Steef probeert zich vooral op de weg te concentreren en ons veilig naar de plaats van bestemming te loodsen. Bepakt met al onze shoppers en tassen, inclusief de chocoladepepernoten, de champagne en alle andere meuk, melden we ons om 7.15 uur bij de ingang van het ziekenhuis. Wij vertellen dat ons dochtertje is opgenomen op de NICU (Neonatale Intensive Care Unit). De medewerker overhandigt ons een dagpas en een mondkapje en wijst ons naar de ellendig lange gang waar het Radboud om berucht is. Op naar Lou! Eenmaal aangekomen bij de NICU zien wij dat Lou ook net binnen is gekomen en dat de artsen en verpleegkundigen de laatste hand leggen aan alle toeters en bellen. Er wordt een plek gezocht voor al onze tassen en wij gaan direct naar ons meisje toe. Haar bedje is wederom omringd door kinderartsen, verpleegkundigen en verpleegkundigen in opleiding. ‘Je mag haar wel aanraken hoor!’, zegt de verpleegkundige. In een waas doe ik maar meteen wat mij gezegd wordt en begin ik Lou te aaien. ‘Kijk’, zegt de verpleegkundige tegen de leerling. ‘Op zulke momenten zeggen wij tegen de papa en mama dat zij het beste niet kunnen aaien, want daar worden baby’s onrustig van’. OK. Duidelijk. Boodschap begrepen. Vervolgens krijgen wij een instructie van hoe wij het wel moeten doen. Zorghandjes, zorghandjes, zorghandjes. Een hand op haar hoofd en een hand op haar buik. Geborgenheid bieden. En hoe graag je het ook zou willen, meer dan dat kunnen je als ouders niet doen.

We zijn gebroken

We zouden het bijna vergeten, maar ik was nog steeds maar een paar uur geleden bevallen. Naast dat mijn onderkant nog steeds erg gevoelig is, heb ik ook veel last van naweeën. Als ik erg ongemakkelijk naast Lou de zoveelste nawee zit weg te puffen vinden wij dat het tijd wordt om nu toch echt naar een kamer te gaan om even bij te komen. In een slaapzaal staat een tijdelijk ziekenhuisbed klaar. Later vandaag gaan wij naar de uiteindelijke kamer verhuizen. De zaal is groot genoeg voor wel zes bedden, maar mijn bed is het enige bed. Er staat ook een tafel met wat tijdschriften en drie hard plastic bezoekersstoelen. Ik duik meteen het bed in. Stephan dropt de shoppers bij de tafel, ploft op de stoel neer en legt zijn hoofd op de tafel. We zijn gebroken en we huilen. Echt slapen lukt niet.

Lou komt bij ons op de kamer

Er komt iemand voor het ontbijt. We geven onze bestelling door, maar krijgen geen hap door de keel. Mijn controles worden uitgevoerd en omdat ik borstvoeding wil geven wordt er een borstkolf naar binnen gereden. Daar zit ik dan, kolvend in bed met Lou ver weg bij mij vandaan. Stephan loopt als een zombie een paar keer heen en weer naar Lou met wallen tot onder zijn oksels. Dit kan zo niet langer, waar blijft toch die stretcher waar wij net naar hebben gevraagd? Gelukkig worden wij niet veel later naar onze “uiteindelijke” kamer gebracht. Een kamer met ziekenhuisbed en een Spartaanse stretcher voor Steef, hemels! Voor de zoveelste keer ploffen wij met al onze shoppers neer en schuiven het bordje naast de deur op: niet storen. Zo. Van 13.00 tot 15.00 uur rust. Verder brengen wij de dag wisselend door bij Lou en op onze kamer. Lou is stabiel, maar ademt nog steeds niet zelfstandig. Daarnaast ben ik om de 3 uur aan het kolven en zet ‘s nachts de wekker om de borstvoeding op gang te krijgen.

We zijn overtuigd dat Lou opstartproblemen heeft

De volgende dag, zondag 10 oktober, krijgen wij te horen dat zij die middag na het lopen van de visite de beademing van Lou willen stoppen om te kijken wat ze doet. Alle medicatie die Lou krijgt om rustig te blijven, zoals morfine, worden afgebouwd, want die kunnen de ademhaling onderdrukken. Stephan en ik zijn best wel opgetogen, want wij zijn er nog steeds van overtuigd dat Lou gewoon opstartproblemen heeft. Ook een arts bevestigt dat het wel eens vaker voorkomt bij baby’s dat ze pas na 24 uur zelfstandig beginnen te ademen. Ze kunnen daar vaak niet echt een oorzaak voor vinden. Dit is ook OK. Stephan en ik geven aan dat wij hier graag bij willen zijn. De verpleegkundige zegt dat zij ons tegen die tijd ophaalt.

We proberen wat te eten. Als wij na een tijdje nog niemand hebben gezien, besluiten wij toch maar naar Lou te lopen. De kinderarts staat bij haar en wij lopen nietsvermoedend en met een vriendelijk knikje zijn kant op. De kinderarts kijkt ons ernstig aan en zegt: ‘Wij hebben net de beademing stop gezet, maar ze doet echt helemaal niets hè!’ Ehmm pardon, jullie hebben wat?”, Voor mijn gevoel trek ik een sprint naar Lou en begin keihard te huilen. Daar. Bij haar bedje. Ik leg mijn hand op haar hoofd en de tranen en snot vermengen zich in mijn mondkapje. ‘Onze mooie lieve Lou, wat is er nou met jou aan de hand?’, fluister ik.

We moeten met het ergste rekening houden

Stephan en ik trekken ons weer terug naar de kamer. Tijd om te kolven. Tijdens het kolven loopt Stephan nog even naar Lou. Ze zijn weer alle onderzoeken aan het uitvoeren die in het ziekenhuis ook al zijn gedaan. Echo van de hersenen en de buik, hersenactiviteit, ontstekingswaarde, en ga zo maar door. Terwijl de toeters van de kolf nog aan mijn borsten hangen en druk hun best doen om een druppeltje melk uit mijn lichaam te krijgen, komt Steef huilend de kamer binnen gestormd. Overstuur probeert hij iets te zeggen, maar ik begrijp geen woord van wat hij zegt. Ik raak helemaal overprikkeld door het geluid van de nog steeds pompende borstkolf en Stephan die mij overduidelijk iets belangrijks probeert te vertellen. ‘Hou nou eens op met huilen en vertel gewoon wat er is!’, roep ik. Dan komt het hoge woord eruit. De artsen staan voor een raadsel. Er is niets aan Lou te zien. Alles werkt, alles functioneert naar behoren. Dit is waarschijnlijk zo’n klein defect dat de kans klein is dat zij hier iets aan kunnen doen. We moeten met het ergste rekening houden. En dan is plots al onze hoop weg. ‘Godver! Waar ben ik nu dan nog mee bezig als ik straks toch geen kind heb om te voeden?!’. Ik trek de schelpen van mijn borsten af en gooi alle kolfspullen in de prullenbak. Het zal mij niet gebeuren dat Lou er straks niet meer is en ik met ontstoken borsten en stuwing thuis op de bank zit.

‘Je mag nu niet instorten Steef!’, beveel ik hem

Wij zijn al vanaf vrijdag niet meer thuis geweest. De jongens logeren bij mijn ouders en mijn zus is daar ook met haar kinderen. Wij missen de jongens. Ze hebben tot nu toe alleen een foto van Lou met allemaal slangetjes gezien en vroegen zich af waar al die slangetjes voor zijn. Mijn zus heeft toen uitgelegd dat pasgeboren baby’s wel eens moeite hebben met ademen en dan wat extra hulp nodig hebben. We willen naar de jongens toe, ze vasthouden om even niet meer los te laten. Wij geven dit aan bij de verpleging en ik mag met “verlof”. Diezelfde middag rijden we naar ons huis waar mijn ouders inmiddels ook zijn met Abel en Faas. De hele weg staren wij voor ons uit en blijven de tranen komen. Na een tijdje zijn wij weer wat bedaard, maar hoe dichter we bij huis komen hoe moeilijker Stephan het krijgt. ‘Je mag nu niet instorten Steef, voor de jongens!’, beveel ik hem, stoer als ik ben. Maar als wij de straat inrijden en ik de buren buiten zie staan, krijg ik het benauwd. Voor ons huis is geen plek meer om te parkeren, dus Stephan wil doorrijden om niet in de buurt van de buren te hoeven parkeren. Maar de buren hebben ons al zien aankomen en gebaren ons dat wij de auto bij hun voor de oprit kunnen parkeren. De lieverds.

Met de jongens in onze armen storten wij in

Daar gaan we dan. We parkeren en stappen uit. De buurvrouw kijkt ons vol verwachting aan en roept: “En? is ze er?”. Ik stort in, de buurvrouw weet meteen dat zij ons met rust moet laten. We snelwandelen naar de voordeur, hopend dat wij verder niemand tegenkomen. Adem in. Adem uit. Voor de deur vegen wij onze tranen weg en doen de deur open. Abel en Faas zien ons en rennen meteen enthousiast naar ons toe. Faas roept dolblij met een lach van oor tot oor: ‘Waar is baby Lou?’ En met die vraag verdween ons goede voornemen om niet te snel te gaan huilen. Met de jongens in onze armen storten wij in en laten wij onze tranen de vrije loop. Mijn ouders hoor ik ook hard huilend vanuit de woonkamer naar ons toekomen. Abel raakt in paniek en huilt met ons mee. Faas duikt ongemakkelijk weer achter de Nintendo. Als we allemaal weer wat rustiger zijn geworden, neem ik plaats aan onze kookeiland. Zo, en nu wil ik eerst een wijntje.

EVA

Plaats een reactie